Waren de Nazi’s kosmonauten? Het Nazisme verklaard

Waren de Nazi’s kosmonauten? Het Nazisme verklaard
04/05/2020 Karel Beckman

De ongemakkelijke waarheid over de holocaust is dat hij voortkwam uit collectivistische filosofische idealen die nog steeds breed worden gekoesterd.

Auschwitz – foto: Marie Sjödin, Pixabay

Wij zijn bereid elke verklaring omtrent de huidige crisis van onze beschaving te aanvaarden, uitgezonderd deze: dat de tegenwoordige toestand van de wereld wel eens het gevolg zou kunnen zijn van een oorspronkelijk door ons begane dwaling, en dat het najagen van sommige van onze meest dierbare idealen klaarblijkelijk een uitwerking heeft gehad die ten enenmale veschilde van hetgeen wij ervan verwachtten.’ (Friedrich Hayek, 1944)

  1. Hoe kon het gebeuren?

Hoe heeft het kunnen gebeuren? Dat is de vraag die in Nederland ieder keer weer opkomt als het over de Holocaust gaat. Maar het is vooral een retorische vraag. Een echt antwoord komt er nooit op – en wordt ook niet verwacht. Het is een soort Nederlandse variant op Wir haben es nicht gewusst. Door steeds maar uit te roepen dat wij het volkomen onbegrijpelijk vinden wat er is gebeurd, zeggen we in feite, ‘wij hebben er niks mee te maken, wij konden er niks aan doen.’

Het Nazisme bevindt zich hierdoor in een soort historisch niemandsland. Er is geen periode waarover zoveel is geschreven en gezegd, en waarover tegelijk zo vaak en door zo velen wordt geroepen dat hij onbegrijpelijk, onvoorstelbaar, niet-te-vatten is. Wat we niet kunnen – of willen – vatten, is hoe een stel sadisten aan de macht kon komen en ongestoord zes miljoen mensen kon vermoorden, in een land in het hart van Europa – een land dat zo’n beetje als het beschaafdste land van de wereld gold, met het beste onderwijssysteem, de meest uitgebreide sociale voorzieningen, een ongeëvenaarde cultuur ‑ het land van de Dichter und Denker. Een buurland!

Uiteraard zijn er wel historische en psychologische omstandigheden die worden aangevoerd, waarvan wordt aangenomen dat ze een bijdrage hebben geleverd aan het succes van het Nazisme (werkloosheid, inflatie, de Vrede van Versailles, het zondebokmechanisme, de Befehl-ist-Befehl-mentaliteit van de Duitsers), maar iedereen begrijpt dat dat niet meer zijn dan bijkomende factoren, die – hoe je ze ook combineert of optelt of vermenigvuldigt – samen nooit uitkomen bij Sobibor, Auschwitz of Bergen-Belsen. In ons denken over het Nazisme hebben we zo een levensgrote tegenstelling gecreëerd: tussen de beschaving, Europa, dichters en filosofen aan de ene kant – en Nazi’s, schorem, sadisten aan de andere kant – sadisten die er zomaar ‘ineens’ waren, in dat land in het hart van Europa, en tot ‘onvoorstelbare’ daden kwamen.

Jan Blokker schreef ooit in de Volkskrant dat het verschil tussen communisme en nationaal-socialisme onder andere altijd een verschil is geweest in ‘intellectuele bronnen’. Marx, verklaarde Blokker, schreef boeken ‘waarop je achteraf veel kunt aanmerken, maar waaraan een zekere wetenschappelijke statuur niet valt te ontzeggen …. bruikbare of zelfs nobele theorieën zijn in de praktijk wel vaker ontaard en verloederd. Het nationaal-socialisme kwam van de straat of nog lager: uit bierkelders. De geestelijke vaders van Hitler waren dubieuze, goeddeels ongeletterde anti-semieten uit de Duitse (en Oostenrijkse) negentiende eeuw.’ (‘Verwonderlijke collaboratie,’ Volkskrant, 20-7-1996.)

Met andere woorden, het nationaal-socialisme hoort niet bij ons, bij onze cultuur, onze ‘intellectuele bronnen’. Het kwam van ‘ongeletterden’, analfabeten, barbaren. De opmerking van Blokker past perfect in dit beeld dat we hebben van het Nazi-regime, dat we het liefst zien als een radicale breuk met de Europese geschiedenis ‑ met alles wat daarvoor kwam, en eigenlijk ook met alles wat daarna is gekomen.

‘Waarom zouden we banken socialiseren of fabrieken? Wij socialiseren mensen’

Door het Nazisme op deze manier in een historisch vacuüm te plaatsen, hebben we de Europese beschaving gered van het Nazisme, maar hebben we tegelijkertijd iedere verklaring die het Nazisme in de Europese geschiedenis probeert te plaatsen, onmogelijk gemaakt. Want als het Nazisme geen integraal onderdeel vormt van de Europese beschaving – waar kwam het dan wel vandaan? Uit de ruimte? Was het Duitse volk collectief gehypnotiseerd? Waren de Nazi’s kosmonauten?

Of we moeten serieus geloven dat een stelletje Beierse bierdrinkers in staat is geweest een wereldoorlog teweeg te brengen?

De ongemakkelijke waarheid is dat noch de zegetocht van het Nazisme noch het verschijnsel van de holocaust unieke gebeurtenissen waren, die niet zouden passen in de Duitse en Europese geschiedenis. Het is een puur verzinsel dat het nazistische gedachtegoed uit Beierse bierkelders kwam, of alleen daar aansloeg. Hitler was niet van de straat. Hij was zeer intelligent, en had, in de woorden van de Duitse Hitler-kenner Werner Maser, ‘ongewoon veel en nauwgezet gelezen en gestudeerd’. Keer op keer wist hij mensen te imponeren met zijn fenomenale geheugen. In de eerste wereldoorlog droeg hij aan het front een stukgelezen exemplaar van Schopenhauer in zijn ransel – geen schrijver om goede sier mee te maken in de kroeg.

En belangrijker nog, Hitlers ideeën vielen zeker – juist – in intellectuele kringen in goede aarde.

De Yale-historicus Max Weinreich laat in een studie uit 1946, aan de hand van duizenden documenten zien hoe vrijwel de gehele academische wereld in Duitsland enthousiast intellektuele steun verleende aan Hitler. ‘Deze moord op een heel volk is niet alleen uitgevoerd door een relatief kleine elite-groep of door de Gestapo’, is zijn conclusie. ‘De gehele heersende klasse van Duitsland schaarde zich achter de uitvoering van deze misdaad … De Duitse wetenschap leverde de ideeën en technieken die tot deze massamoord leidden en rechtvaardigden.’ (Weinreich, 6)

Bij verkiezingen behaalden de Nazi’s onder studenten en academici vrijwel altijd meer stemmen dan gemiddeld onder de bevolking. Het merendeel van de Duitse professoren was in 1933 zelfs al lid van de NSDAP. Martin Heidegger, de beroemde filosoof, riep in zijn rectoraatsrede aan de Universiteit van Freiburg zijn collega’s op om Adolf Hitler te erkennen als ‘de leider die door het lot was aangewezen om het land te redden.’ (Kealey, 184.)

De geestelijkheid was eveneens enthousiast over het Nazisme. De Duitse bisschoppen zwoeren reeds op 28 maart 1933 trouw aan het nieuwe regime (met de zegen van de paus) en ook binnen de Lutherse kerk werd Hitler vrijwel unaniem verwelkomd. Al deze reacties duiden niet op een radicale breuk met het verleden.

Misschien nog wel het meest enthousiast over Hitler waren de studenten. ‘De Nazi’s scoorden consquent beter onder de studenten dan gemiddeld en hun electorale winst werd steeds vooraf gegaan door vooruitgang die ze boekten op de universiteiten. De studenten waren hun beste zieltjeswinners. De studenten … waren enthousiast over het egalitairisme van de Nazi’s. Ze waren ook positief over het anti-Semitisme. De studenten waren anti-Semitischer dan de arbeidersklasse of de burgerij. De meeste Duitse studentenverenigingen hadden al voor 1914 Joden het lidmaatschap ontzegd.’ (Johnson, 1983, 127)

Eind 1930 gaf Hitler een lezing aan de universiteit van Berlijn. Hij werd daar als een held ontvangen, herinnerde Nazi-coryfee Albert Speer zich na de oorlog. De zaal zat bomvol en Hitler werd bij binnenkomst onthaald op een minutenlange ovatie. ‘Het leek erop of bijna alle studenten in Berlijn deze man wilden horen en zien. Een groot aantal professoren zat op speciale plaatsen midden op het lege podium. Hun aanwezigheid gaf de bijeenkomst een belang en een sociale goedkeuring die hij anders niet zou hebben gehad.’ (Speer, 46) Hoezo Beierse bierkelders?

Fichte en Hegel hadden aan diezelfde universiteit van Berlijn jarenlang verkondigd dat het volk zich moet onderwerpen aan de Grote Leider die hen naar het beloofde Duitse paradijs zal voeren. Die leider was nu einderlijk gearriveerd – in de persoon van Hitler.

Dat was de situatie in Duitsland, maar de gebeurtenissen in Duitsland stonden niet op zichzelf. Ook in andere landen waren fascisme en andere vormen van totalitairisme populair. En ook elders vonden genocides plaats, zowel voor als na de holocaust: de moord op de Armeniërs door de Turkse regering in het begin van de twintigste eeuw, Stalins zuiveringen en volksverhuizingen, Mao’s Grote Sprongen Voorwaarts, Pol Pots Killing Fields, en de grootscheepse moordpartijen door de fascistische regimes van Japan en nationalistisch China. Het feit dat er in de 20e eeuw talrijke aan het Nazisme verwante totalitaire regimes aan de macht kwamen, die zich zonder uitzondering aan massamoord schuldig maakten, duidt erop dat het Nazisme niet uniek was en primair moet worden gezien als het product van een ontwikkeling die in de hele wereld plaatsvond, en die dan ook wel degelijk nauw met de dominante intellektuele cultuur was verbonden. Dit was primair een ideologische ontwikkeling.

De natie zal uitgroeien tot een ‘gesloten eenheid’ en zal in feite worden tot hetgeen zij volgens Plato zou moeten zijn, ‘groter dan een enkel mens’

Alle totalitaire, genocidale regimes die in de vorige eeuw huis hebben gehouden, of ze nu fascistisch of communistisch waren, rechts of links, hebben met elkaar gemeen dat het geen spontaan gegroeide of historisch geëvolueerde maatschappijvormen waren, maar welbewust in het leven geroepen politieke systemen, ingegeven door bewuste politieke idealen. Om precies te zijn: collectivistische politieke idealen.

Het collectivisme – het idee dat het individu ondergeschikt is aan het collectief, dat de identiteit van een individu wordt bepaald door de groep waar hij toe behoort – was in de eerste helft van de twintigste eeuw het universele politieke geloof. De vraag in die tijd (óók in landen als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten) was niet of een maatschappij een collectivistisch politiek systeem diende te hebben, maar hoe collectivistisch dat systeem zou moeten zijn.

Dit onvoorwaardelijke geloof in het collectivisme, dat de politieke cultuur overal in de wereld beheerste, was gebaseerd op theorieën die in de negentiende eeuw waren bedacht door een reeks van grote filosofen en ideologen, die ook vandaag de dag nog alom worden bestudeerd en bewonderd. Terwijl in de achttiende eeuw het individualisme hoogtij vierde, en de Amerikaanse Founding Fathers er bijvoorbeeld nog van uit gingen dat het de functie is van de Staat om de rechten van het individu te beschermen, raakten intellectuelen in de negentiende eeuw in de ban van het collectivisme, en hingen zij het geloof aan dat het voortbestaan van het collectief (in de vorm van de Staat, de Natie, of het Ras) het hoogste doel is van het leven op aarde en dat het de taak of plicht is van het individu om dat hogere doel te dienen. Het is dit geloof dat in de twintigste eeuw de wereld veroverde en uiteindelijk leidde tot de holocaust en al die andere genocides.

Het Nazisme wordt een stuk verklaarbaarder als je je realiseert dat wat Rousseau, Fichte, Hegel, Carlyle, Spengler en al die andere collectivistische intellectuelen (Marx en Engels niet te vergeten) als ideale samenleving afschilderden, door Hitler en zijn trawanten in de praktijk werd gebracht. Welbewust in de praktijk gebracht. Dat blijkt uit alles wat de Nazi’s zeiden en deden. 

Auschwitz foto Larahcv, Pixabay

  1. Het collectivisme van de Nazi’s

De essentie van het Nazisme is de totale ondergeschiktheid van het individu aan het volk, de natie, het ras. Daarmee vormde het Nazisme geen breuk met de geschiedenis – dat wil zeggen, wel met de 18e eeuw, met het individualisme en rationalisme van de Verlichting – maar met de collectivistische geest van de 19e eeuw, geenszins. ‘Het individuele leven bestaat niet echt’, had Fichte zijn studenten voorgehouden aan de universiteit van Berlijn, ‘aangezien het van zichzelf geen waarde heeft …; terwijl daarentegen alleen het Ras bestaat, omdat alleen het Ras moet worden beschouwd als werkelijk levend.’

En voor Fichte was het Duitse ras het ‘oervolk’, dat bestemd was om de wereld te leiden.

Fichte’s opvolger Hegel verklaarde dat een individu iets ‘ondergeschikts’ is en dat de ‘Wereldhistorische natie’ die op een bepaald moment de geest van de geschiedenis belichaamt (in Hegels geval was dat Pruisen), het ‘absolute recht’ heeft om andere naties te onderwerpen. De Grote Leider van de wereldhistorische natie staat volgens Hegel boven het recht.

Fichte en Hegel werden gevolgd door talloze andere pleitbezorgers van het collectivisme. Het Nazisme was – net als het communisme – de praktische uitwerking in de 20e eeuw van de collectivistische ideeën die in de 19e eeuw hadden gezegevierd.

‘De wensen en de zelfzuchtigheid van het individu moeten ondergeschikt zijn,’ schreef Hitler in Mein Kampf. Een mens moet ‘zijn persoonlijke mening en belangen opzij zetten en beide opofferen.’ En: ‘Deze gemoedstoestand, die de belangen van het ego onderwerpt aan het behoud van de gemeenschap, is het fundament van iedere waarlijk menselijke cultuur … De basishouding die uit zulk een activiteit voortkomt, noemen wij – om hem te onderscheiden van egoïsme en zelfzucht – idealisme. Daarmee bedoelen wij louter de bereidheid van het individu offers te plegen voor de gemeenschap, voor zijn medemensen.’

In een van zijn speeches zei Hitler: ‘Het is noodzakelijk dat het individu leert te beseffen dat zijn eigen ego van geen enkel belang is in vergelijking tot het bestaan van zijn natie …. dat de eenheid van de geest en wil van een natie veel waardevoller zijn dan de vrijheid van de geest en de wil van een individu.’ (Peikoff, 3)

‘Niets is in zijn ogen afkeurenswaardiger dan het universele streven naar het geluk van het individu’

Voor Hitler was de staat geen economische organisatie die er economische doeleinden op nahield. De staat, schreef hij, ‘is geen combinatie van contractuele partijen die economische transacties aangaan … maar een gemeenschap van lichamelijk en geestelijk gelijkgestemde wezens die dient tot de instandhouding van hun soort alsmede tot het bereiken van het doel van hun bestaan, zoals bepaald door de voorzienigheid. Dit en niets anders is het doel en de betekenis van de staat. De economie is in dit verband slechts een van de middelen die benodigd zijn voor de verwezenlijking van dat doel.’ (Turner, 71-72.) De staat, merkte Hitler daarbij ook nog op, moet een scherp onderscheid maken tussen de volksgenoten en hen ‘die slechts als geldverdienende individuen binnen zijn grenzen hun verblijf zoeken’. (Maser, 219)

Hitler vond het onnodig om, zoals de communisten deden, het particulier bezit van de productiemiddelen te verbieden. Socialisme betekende voor hem dat de staat sowieso beschikte over de gehele gemeenschap, met alles wat daarbij hoorde, inclusief de productiemiddelen. Nationalisering van de productiemiddelen was daardoor overbodig.

‘De partij’, zei hij, ‘is alles-omvattend. Zij beheerst het leven in zijn gehele breedte en diepte … Er is geen ongebondenheid meer, geen privé sfeer waarin het individu aan zichzelf toebehoort. Dat is socialisme, niet zulke onbeduidende zaken als de mogelijkheid om al dan eigenaar te zijn van de middelen van productie. Dat soort dingen betekent niets als ik mensen onderwerp aan het soort discipline waaraan zij niet kunnen ontsnappen. Laat ze zoveel land of zoveel fabrieken bezitten als ze willen. Waar het om gaat is dat de staat, via de partij, over hen beschikt, of zij nu bezitters zijn of arbeiders. Begrijp dit goed: dat betekent allemaal niets meer. Ons socialisme gaat dieper. Het laat de oppervlakkige vormen ongemoeid, maar het ordent de relatie van het individu tot de staat, tot de volksgemeenschap … Waarom zouden we banken socialiseren of fabrieken? Wij socialiseren mensen.’ (Turner, 78)

Dergelijke ideeën waren gemeengoed onder de Nazi’s. Nazi-partijwoordvoerder Ernst Huber verklaarde in 1933: ‘Er zijn geen persoonlijke vrijheden van het individu die buiten het bereik van de staat vallen en die moeten worden gerespecteerd door de staat… De grondwet van het nationalistische Rijk is dan ook niet gebaseerd op een systeem van aangeboren en onvervreemdbare rechten.’(Peikoff, 6)

‘Er zullen geen privé Duitsers meer zijn’, schreef de Nazi-intellektueel Friedrich Sieburg, eenieder verkrijgt betekenis alleen door zijn dienstbaarheid aan de staat, en dient in deze dienstbaarheid zijn levensvervulling te vinden.’ (Peikoff, 7).

‘De enige die nog een particulier individu is in Duitsland is iemand die slaapt’, verklaarde het hoge Nazipartijlid Robert Ley. (Peikoff, 7) De kinderen die zich aansloten bij de Hitler Jugend, op hun 6e, moesten verklaren dat ze nooit meer over ‘ik’ zouden spreken, maar alleen nog over ‘wij’. (Peikoff, 246)

‘Er bestaat alleen vrijheid van volkeren, naties of rassen’, verklaarde Nazi Otto Dietrich, ‘want dit zijn de enige materiële en historische realiteiten door middel waarvan het individu bestaat.’ (Peikoff, 29) ‘Socialisme,’ zei Goebbels, ‘is het individu opofferen aan het collectief.’ Du bist nichts, dein Volk ist alles, zo luidde een bekende nazi-slogan.

‘De centrale boodschap [van het Nazisme]’, schrijft historicus Robert Conquest, ‘die op een enorme schaal werd verspreid via de pers, op partijbijeenkomsten, universiteiten en scholen, was de nieuwe identificatie van het Duitse individu met de natie en de staat, op een hoger niveau dan in de oude maatschapppij – transcendentaal, mystiek, wetenschappelijk en filosofisch.’ (Conquest, 63)

‘In de jacht op hun eigen geluk vallen mensen van de hemel in een echte hel’

De Italiaanse en Japanse fascisten hielden er dezelfde collectivistische filosofie op na. Mussolini’s motto was: ‘Alles binnen de Staat, niets buiten de Staat, niets tegen de Staat.’ (Johnson, 1983, 101)

‘Als vrijheid een eigenschap is van de echte man’, schreef Mussolini, ‘en niet de vogelverschrikker bedacht door het individualistische liberalisme, dan is het fascisme voor vrijheid. Het is voor de enige vrijheid die serieus valt te nemen – de vrijheid van de staat …’(Peikoff, 29)

Fascisme, verklaarde Alfredo Rocco, een van de meest prominente Italiaanse fascisten, benadrukt ‘de noodzaak … van opoffering, zelfs tot de totale vernietiging van individuen ten behoeve van de gemeenschap … Voor het liberalisme is het individu het doel en de maatschappij het middel … Voor het Fascisme is de maatschappij het doel, de individuen de middelen – en het hele leven van de maatschappij bestaat uit het gebruik van individuen als werktuigen voor haar sociale doelstellingen.’ (Peikoff, 8)

Het collectivisme van de Japanse fascisten is welbekend. In een officieel document van het Japanse ministerie van Justitie, dat de ideologie beschrijft die op scholen en in het leger werd gedoceerd, wordt dit als volgt verwoord: ‘Vanuit Japans perspectief bestaat er geen notie van een individu tegengesteld aan de staat … Aan westerse ideeën ligt een houding ten grondslag die individuen beschouwt als absolute, onafhankelijke entiteiten … de maatstaf van alle waarden en zijzelf de hoogste van alle waarden. [Maar] mensen, hoewel ze een onafhankelijk bestaan en leven hebben, zijn in een diepere zin afhankelijk van het geheel en leven in een samenhangende relatie met elkaar. Ze worden geboren vanuit de staat, onderhouden door de staat, en opgevoed in de geschiedenis en tradities van de staat. Individuen kunnen slechts bestaan als schakels in een oneindige en enorme ketting van het leven die de staat wordt genoemd; zij zijn schakels door wie de erfenis van voorouders wordt doorgegeven aan latere generaties … Individuen nemen deel in de hoogste waarden wanneer zij de staat dienen en er deel van uitmaken.’ (Johnson, 1983, 312-313)

Dergelijke ideeën vormden op geen enkele manier een breuk met de intellektuele geschiedenis van het westen in de 19e eeuw. Keynes haalt al in 1915 de ‘nachtmerrie’ aan die hij aantreft in een Duits werk uit de 19e eeuw: ‘Het individualisme moet totaal verdwijnen. Er moet een systeem van voorschriften worden opgebouwd, waarvan het object niet het grotere geluk van het individu is…, maar het versterken van de georganiseerde eenheid van de staat … Deze afschuwelijke leerstelling wordt door een soort idealisme omhuld. De natie zal uitgroeien tot een ‘gesloten eenheid’ en zal in feite worden tot hetgeen zij volgens Plato zou moeten zijn, ‘groter dan een enkel mens’ (Plato, Politeia, 368E)’.

Wanneer Hitler zegt dat ‘de Staat de natie domineert omdat alleen zij haar vertegenwoordigt’, merkte de Amerikaanse filosoof Albert Jay Nock reeds in 1935 op, ‘dan verwoordt hij slechts in populaire taal de formule van Hegel, die beweert dat ‘de Staat de basis-substantie is waarvan individuen slechts de toevallige elementen vormen’. Wanneer Mussolini verklaart, ‘alles voor de Staat, niets buiten de Staat, niets tegen de Staat’, dan populariseert hij daarmee slechts de bewering van Fichte dat ‘de Staat de superieure macht is, ultiem en zonder appèl, volstrekt onafhankelijk’.’ (Nock, 10)

  1. Het socialisme van de Nazi’s

Het is een van de grote (linkse) leugens van de geschiedenis dat het fascisme een ‘rechtse’ beweging was of is en het communisme een ‘linkse’. Het is waar dat fascisten en communisten elkaar vaak genoeg met geweld hebben bestreden. Maar als schorem elkaar te lijf gaat, is dat geen reden om één partij beschaafd volk te noemen.

Het belangrijkste verschil tussen fascisme of Nazisme en communisme is dat de één gebaseerd is op ras en natie, de ander op afkomst en klasse. (Of, zoals Hayek opmerkt, het Nazisme was een socialisme voor de middenstand, met andere woorden, voor iedereen die socialistisch was, maar niet tot de proletarische klasse behoorde.) Maar beide zijn vormen van collectivisme. Beide beschouwen het individu als ondergeschikt aan het collectief. Beide hebben een felle afkeer van iedere vorm van liberalisme en individuele vrijheid.

Het Nazisme, schrijft Hayek, is sterk beïnvloed door van oorsprong Marxistische intellektuelen die het nationalisme omarmden. ‘Het was de vereniging van de anti-kapitalistische machten van links en rechts, de fusie van radicaal en conservatief socialisme, dat alles uit Duitsland verdreef dat liberaal was. De band tussen socialisme en nationalisme was in Duitsland van meet af aan hecht. Het is van betekenis dat de belangrijkste voorouders van het nationaal-socialisme – Fichte, Rodbertus en Lasalle – tegelijkertijd erkende geestelijke vaders van het socialisme zijn.’(Hayek, 1944, 192)

Een van de belangrijkste schakels tussen het marxisme en het Nazisme was Werner Sombart, rond de eeuwwisseling de meest vooraanstaande marxistische econoom in Duitsland. Sombart, schrijft Hayek, had zich als ‘geen ander uitgesloofd om socialistische ideeën en anti-kapitalistische haat in verschillende vormen over Duitsland te verspreiden en het was in hoge mate aan Sombart toe te schrijven dat het Duitse denken als in geen ander land … van marxistische elementen werd doortrokken…. In zijn oorlogsboek, Händler und Helden (uit 1915), verwelkomde deze oude socialist de ‘germaanse oorlog’ als het onvermijdelijke conflict tussen de commerciële beschaving van Engeland en de heroïsche cultuur van Duitsland. Zijn verachting voor de ‘commerciële’ opvattingen van het Engelse volk, dat alle oorlogsinstincten had verloren, is onbegrensd. Niets is in zijn ogen afkeurenswaardiger dan het universele streven naar het geluk van het individu.’

De ‘germaanse staatsidee’, zoals geformuleerd door Fichte, Lasalle en Rodbertus, luidt volgens Sombart ‘dat de staat noch gefundeerd noch gevormd wordt door individuen, noch door een verzameling individuen, noch ten doel heeft enig individueel belang te dienen. Het is een Volksgemeinschaft, waarin het individu geen recht kent doch slechts plichten. Eisen van het individu zijn steeds een resultaat van de handelsgeest … Slechts de oorlog (de eerste wereldoorlog) had de Duitsers eraan helpen herinneren dat zij in werkelijkheid een volk van krijgslieden waren.’

Oorlog als ‘onmenselijk en zinloos’ te beschouwen noemde Sombart een uitvloeisel van ‘commerciële opvattingen’. ‘Er bestaat een leven dat hoger is dan het persoonlijk leven, het leven van het volk en het leven van de staat, en het is het doel van het individu zichzelf op te offeren voor dat hogere leven. Oorlog betekent voor Sombart de vervulling van de heroïsche levensopvatting.’ (Hayek, 1944, 193-194)

‘Tot eenieders verbazing, wist Eichman een min of meer correcte definitie te geven van de categorische imperatief’

In 1934 publiceerde Sombart Deutscher Sozialismus waarin hij beweerde dat een ‘nieuwe geest’ begon te ‘heersen over de mensheid’. Het tijdperk van het kapitalisme en het proletarisch socialisme was voorbij en het tijdperk van het ‘Duitse socialisme’ was aangebroken. Volgens het Duitse socialisme, schreef hij, ‘gaat het belang van het geheel uit boven het belang van het individu’. Het Duitse socialisme moet een ‘totale ordening van het leven’ bewerkstelligen met een ‘planeconomie gebaseerd op staatsregulering’. Het nieuwe juridische systeem geeft individuen ‘geen rechten, maar plichten’. Het Duitse socialisme wordt volgens Sombart gesteund door een Volksgeist die niet raciaal is in de biologische, maar in de metafysische zin: ‘De Duitse geest in een Neger is net zo goed mogelijk als de geest van de Neger in een Duitser’.

Het tegenovergestelde van de Duitse geest, schreef Sombart, is de Joodse geest, ‘die niet voortkomt uit het geboren zijn als Jood of geloven in de Joodse religie, maar die een kapitalistische geest is’. De Engelsen hebben de Joodse geest en de ‘belangrijkste taak van het Duitse volk en het Nationaal-Socialisme is om de Joodse geest te vernietigen.’ (Bron: Wikipedia, citaten van Abram L. Harris, ‘Sombart and German (National) Socialism’, The Journal of Political Economy, Vol. 50, No. 6, Dec., 1942)

Sombart, schrijft Hayek, had samen met andere marxistische nationalisten grote invloed op intellektuelen als Oswald Spengler en Arthur Möller van den Bruck (bekend van het boek Das Dritte Reich uit 1923), die weer enorme invloed hadden op de intellektuele leiders van de Nazi-partij.

Hitler verklaarde in 1922 dat ‘eenieder die bereid is zich zodanig aan zijn volk te wijden dat hij geen ander belang hoger acht dan het welzijn van zijn volk … is een socialist’. (Turner, 77)

De Nazi’s keken van de socialisten het idee van de jeugdbeweging af. ‘Het waren niet de fascisten, maar de socialisten, die de kinderen van hun prilste jeugd af begonnen te verzamelen in politieke organisaties om er zeker van te zijn dat ze tot goede proletariërs zouden opgroeien. Het waren niet de fascisten, maar de socialisten, die er het eerst aan dachten sport en spel te organiseren … in partijverenigingen, waarin de leden niet door andere opvattingen zouden worden besmet. Het waren de socialisten die er het eerst op aandrongen dat de partijleden zichzelf van anderen zouden onderscheiden door een speciale manier van groeten en toespreken. Zij waren het die door hun organisatie van ‘cellen’ en middelen tot algehele supervisie van het privé-leven het prototype van de totalitaire maatschappij schiepen.’ (Hayek, 1944, 136)

De Nazi’s wisten met name in de beginjaren van hun bestaan veel leden te recruteren uit de Communistische Partij (KPD). Andersom gebeurde het ook veelvuldig. ‘Met name een groot deel van de SA (de bruinhemden) kwam in steeds grotere aantallen uit de gelederen van de communisten. Ernst Röhm, de leider van de SA, verwelkomde hen vanwege hun fanatisme en liefde voor geweld. Hij noemde ze biefstukken, bruin van buiten, rood van binnen.’ (Tolstoy, 86).

Hitler, schrijft de historicus Toland, bood ‘de jeugdige idealisten in en buiten de universiteiten: een idealistische nieuwe wereld…. Ze [de studenten, de jeugdige idealisten] luisterden gefascineerd wanneer hij predikte tegen materialisme en zelfzucht, beloofde sociale harmonie tot stand te brengen en een voorhoede te vormen in zijn kruistocht voor sociale rechtvaardigheid in een herboren Duitsland. Overtuigd dat Hitler een echt socialistisch regime zou verstigen trokken deze jonge mensen door de straten van de grote steden onder de leuzen die ze deelden met hun communistische tegenstanders.’ (Toland, 261)

De communisten en de Nazi’s voelden volgens Toland ‘een unieke kameraadschap’, ook al bestreden ze elkaar soms fel. ‘Het was geen zeldzaamheid dat ze één lijn trokken, wanneer de politie een inval deed bij een van hun conflicten in een bar of bierhal. Beide groepen waren vurig bezield voor hun zaak en meenden dat het doel de middlelen heiligde. Ze deelden een soortgelijk socialistisch doel en minachtten allebeid de parlementaire procedures. De laatste 1 mei hadden ze arm in arm geparadeerd door de straten van Berlijn, samen protesterend tegen het demonstratieverbod en hun leuze uitschreeuwend: ‘Vrijheid, Arbeid en Brood!’’ (Toland, 258-259)

‘Wij zijn niet objectief. Wij zijn Duits’

Het fascisme van Mussolini was ook sterk geïnspireerd door het socialisme. Mussolini was een grote bewonderaar van Marx, ‘de vader en leraar’, zoals hij hem omschreef, ‘de magnifieke filosoof van het proletarische geweld’. Net als Lenin geloofde Mussolini heilig in de noodzaak van geweld. ‘We moeten het proletariaat voorbereiden op en laten wennen aan oorlog voor de dag van het grootste bloedbad van alle, wanneer de twee vijandelijke klassen met elkaar zullen strijden in de ultieme test.’ (Johnson, 1983, 57)

Mussolini kreeg in in 1912 de leiding van de Italiaanse Socialistische Partij. Hij werd gedwongen om de Partij te verlaten omdat hij vond dat Italië mee moest doen aan de eerste wereldoorlog. Vervolgens voegde hij zich bij een groepje genaamd de Fascio Autonomo d’Azione Rivoluzionaria. Dit waren geen ‘rechtse’ fascisten, zoals hun naam zou doen vermoeden, maar revolutionaire socialisten en syndicalisten. Hun symbool, de ‘fascio’ (de bundel, het symbool van mensen die nauw met elkaar zijn verbonden) was het symbool van de Franse Revolutie. (Muravchik, 149) Een mooie illustratie van de socialistische wortels van het fascisme. Mussolini zag geen fundamentele tegenstelling tussen de twee. Een ‘toekomstig socialisme’, schreef hij, ‘zal zich wellicht bezighouden met het vinden van een evenwicht tussen natie en klasse.’ (Muravchik, 149)

Zelfs de beruchte slogan bij de poort van Auschwitz, Arbeit macht frei, was afgekeken van de communistische praktijk. Het was een imitatie van de slogan die Stalin had opgehangen bij de poorten van de kampen van Kolyma: ‘Arbeid is een kwestie van eer, moed en heroïek’. (Johnson, 1983, 304) 

Dachau foto LaraHCV, Pixabay

  1. De ethiek van de Nazi’s

We zijn gewend om de Nazi’s te beschouwen als verdorven en slecht – als het toonbeeld van immoraliteit of amoraliteit. Maar de Nazi’s hielden er wel degelijk, vanuit hun eigen optiek gezien, hoogstaande idealen op na. Ze beschouwden zichzelf juist als ‘idealisten’ pur sang. Ze leefden voor hun idealen, nergens anders voor.

Het probleem is dan ook niet zozeer dat ze immoreel of amoreel waren – het probleem is de aard van de moraliteit die ze er op nahielden: de Kantiaanse moraliteit van zelfopoffering en plichtvervulling, die logisch voortvloeit uit het collectivisme (of daaraan ten grondslag ligt).

In de collectivistische ideologie wordt het individu geacht zijn belangen op te offe­ren aan de gemeenschap, oftewel het belang van de gemeenschap ho­ger te stellen dan zijn persoonlijke belangen. Het individu heeft geen rechten, slechts plichten, zoals Sombart opmerkte. Het is dan ook niet aan hem om te oordelen wat moreel is en niet, wat in het belang is van de natie en wat niet.

Wie bepaalt dat dan wel? Als individuen niet zelf hun morele koers en hun levensdoelen mogen bepalen, dan is het onvermijdelijk dat iemand anders dat voor hen doet: de Grote Leider of de leiders. Daarom verwordt het collectivisme in de praktijk altijd tot dictatuur. In dit systeem is het individu moreel ontwapend, dat wil zeggen, hij kan niet zijn eigen geweten of ideeën volgen, hij dient te gehoorzamen aan de Leider. Wat die Leider ook bepaalt, en hoezeer dat ook indruist tegen het rechtvaardigheidsgevoel van het individu, hij moet zijn Leider gehoorzamen. Het hoogste morele gebod in de collectivistische maatschappij is om niet zelf na te denken en blindelings de leider te volgen.

Een dergelijke ethische benadering is niet in tegenspraak met de morele benadering die door veel grote denkers in de geschiedenis is gehanteerd. Plato, De Bijbel (zeg maar gerust: vrijwel iedere religie), Augustinus, Kant, Hegel en talloze andere grote geesten hebben een dergelijke plicht-ethiek gepropageerd. De meesten van hen predikten uiteraard andere ‘plichten’ dan de Nazi’s, maar zij gingen wel uit van de noodzaak van het individu om zich te onderwerpen aan ‘hogere’ geboden. Alleen de ‘egoïstische’ liberale filosofie van de Verlichting, gaat ervan uit dat het individu zelf moet nadenken en zijn eigen morele overtuigingen moet vormen en volgen.

Hitler was heel duidelijk over het primaat van de plichtvervulling en de zelfopoffering. ‘De wensen en zelfzuchtigheid van het individu hebben geen betekenis en moeten worden onderworpen’, schrijft hij in Mein Kampf. Het individu moet ‘niet zijn persoonlijke mening en belangen naar voren schuiven maar beide opofferen …’ (Peikoff, 65)

‘In de jacht op hun eigen geluk vallen mensen van de hemel in een echte hel. Ja, zelfs het nageslacht vergeet de mensen die alleen hun eigen belang hebben nagestreefd en prijst de helden die hun eigen geluk hebben verloochend … Onze eigen Duitse taal heeft een woord dat op schitterende wijze deze handelwijze benoemt: Pflichterfüllung. Het betekent niet autonoom te zijn maar de gemeenschap te dienen.’ (Peikoff, 85)

Hitler beweert met trots dat hij de mensen heeft bevrijd van ‘de eisen van een vrijheid en persoonlijke onafhankelijkheid die slechts weinigen kunnen dragen’. (Peikoff, 97)

‘Ik zal ervoor zorgen dat prijzen stabiel blijven. Daar heb ik mijn stormtroepen voor’

‘Onzelfzuchtigheid’, schrijft Hanna Arendt over de filosofische houding van de Nazi’s, ‘in de zin dat het zelf niet meer meetelt, het gevoel vervangbaar te zijn, was niet langer de uitdrukking van individueel idealisme, maar een massaverschijnsel.’ (Peikoff, 251) Albert Speer beschrijft ditzelfde gevoel in zijn autobiografie: ‘Want hoewel het nu vreemd mag overkomen, voor ons was het geen holle slogan dat ‘de Führer voor en over iedereen beslist’… Een strenge openbare orde zat in ons bloed;  het liberalisme van de Weimar Republiek vonden wij daarbij vergeleken laks, dubieus en geenszins wenselijk.’

Dat het niet om holle retoriek ging, bewijst het geval Eichmann. Eichmann, die bekend staat als ‘de architect van de holocaust’, beschouwde zichzelf als een idealist, schrijft Hanna Arendt. ‘Een idealist, naar zijn idee, was niet slechts iemand die geloofde in een idee of iemand die niet stal of smeergeld aannam … Een idealist was iemand die leefde voor zijn idee – daarom kon hij ook geen zakenman zijn – en die bereid was om voor dit idee alles – en vooral: iedereen – op te offeren. Toen hij tijdens het politie-onderzoek zei dat hij zijn eigen vader de dood in zou hebben gejaagd als dat nodig was geweest, wilde hij daarmee niet alleen aangeven hoezeer hij onderworpen was aan bevelen en klaar was om ze op te volgen; hij wilde ook laten zien wat een ‘idealist’ hij altijd was geweest.’ (Arendt, 1963, 42)

Tijdens zijn proces, vertelt Arendt, ‘verklaarde Eichmann plotseling met grote nadruk dat hij zijn hele leven volgens Kants morele principes had geleefd, en met name volgens een Kantiaanse definitie van plicht.’

Arendt weet deze opmerking niet op de juiste waarde te schatten. ‘Dit was zonder meer schandalig, en ook onbegrijpelijk’, verklaart zij, ‘aangezien Kants morele filosofie zo nauw verweven is met het beoordelingsvermogen van de mens, en blinde gehoorzaamheid verbiedt’. De rechter gelooft Eichmann ook niet en vraagt om uitleg. ‘En, tot eenieders verbazing, wist Eichman een min of meer correcte definitie te geven van de categorische imperatief.’ (Arendt, 1963, 136)

Maar Eichmanns interpretatie van Kant is helemaal niet zo vreemd. Het ‘categorische imperatief’ van Kant is niet ‘nauw verweven met het beoordelingsvermogen van de mens’, zoals Arendt schijnt te denken, maar vereist juiste blinde volgzaamheid, zoals iedereen kan weten die Kant heeft gelezen.

Tijdens de beruchte Wannsee conferentie, waarop werd gediscussieerd hoe de ‘Endlösung’ in zijn werk zou moeten gaan, ‘voelde ik mij vrij van ieder schuldgevoel’, verklaarde Eichmann. ‘Wie was hij om te oordelen? Wie was hij om zijn eigen gedachten hierover te hebben?’ (Arendt, p, 114)

Eichmann had al in augustus 1941 van Heydrich te horen gekregen wat er stond te gebeuren. ‘De Führer heeft de fysieke vernietiging van de Joden bevolen.’ Veelzeggend is zijn reactie. ‘Daarna, zeer tegen zijn gewoonte in, zei hij lange tijd niets … en toen drong het tot me door en zei ik niets want er was niets meer te zeggen. Ik had zoiets nooit bedacht, zo’n oplossing door geweld. Ik raakte nu alles kwijt, alle plezier in mijn werk, al het initiatief, al mijn interesse. Ik was zogezegd buiten werking gesteld.’ (Arendt, 84) Een huiveringwekkend beeld van een man die het laatste restje van zijn eigen persoonlijkheid in zichzelf doodt.

De omstandigheden dwingen hem er echter later toch weer toe om een eigen leven op te bouwen. ‘Op 8 mei 1945, de dag van de Duitse nederlaag, besefte Eichmann: “Ik voelde dat ik een ongeleid en moeilijk individueel leven moest gaan leiden, dat ik geen richtlijnen meer zou krijgen van iemand, er zouden mij geen bevelen of commando’s meer worden gegeven .. kortom, er lag een soort leven voor me dat ik nog nooit had gekend”.’ (Arendt, 1963, 32)

  1. Het irrationalisme van de Nazi’s

Collectivisme is niet alleen verbonden met zelfopoffering, maar ook met de verwerping van rationaliteit en verstandelijke kennis. Rationaliteit is een attribuut van het individu; denken vindt plaats op individueel niveau. Collectivisme is gekant tegen individuele onafhankelijkheid en zal daardoor ook altijd gekant zijn tegen het onafhankelijke denken dat aan de basis ligt van verstandelijke kennisvorming.

Het Nazisme was dan ook ten diepste een irrationalistische beweging. De Nazi’s verwierpen niet alleen het individualisme, maar ook nadrukkelijk het ‘kille rationalisme’ van de Verlichting. Zij predikten het primaat van ‘de wil’, van wilskracht, instincten, ‘Blut und Boden’. Zij geloofden niet in een realiteit die onafhankelijk bestaat van de mens en die de mens moet leren kennen; zij geloofden dat de menselijke wil de realiteit bepaalt. Hitler was daarbij onder meer beïnvloed door Schopenhauer (‘van hem heb ik een hoop geleerd’), die, in navolging van Kant, de rede afdeed als oppervlakkig en het leven zag als een manifestatie van blinde wilskracht. (Waarmee overigens de overeenkomsten tussen Schopenhauer en Hitler wel een heel eind ophouden.) ‘Als je de grote massa voor je wil winnen, moet je de sleutel kennen die de deur opent naar hun hart’, schreef Hitler. ‘Zijn naam is niet objectiviteit (lees: zwakheid), maar wil en macht.’

‘Wat mij betreft’, zei Goering, ‘ik ben subjectief. Ik ben trouw aan mijn volk en erken niets anders op aarde. Ik bedank mijn Maker dat hij me heeft gemaakt zonder wat men noemt een gevoel voor objectiviteit.’

‘Wij zijn niet objectief’, verklaarde Nazi-propagandist Hans Schemm. ‘Wij zijn Duits.’ ‘Op alle twijfels en vragen’, schreef vooraanstaand Nazi Alfred Rosenberg, ‘heeft de nieuwe mens van het eerste Duitse rijk slechts een antwoord: ‘niettemin, ik wil!’.’ ‘Als de Füher het wil,’ verklaart Goering, ‘zijn 2 en 2 vijf.’ (citaten uit Peikoff)

Zoals de Amerikaanse filosoof Peikoff opmerkt, ‘westerse leiders zouden dit soort uitspraken in de 18e eeuw niet eens hebben kunnen bedenken.’ (59)

De Nazi’s geloofden niet in het ideaal van objectieve kennis, die voor alle mensen hetzelfde is en door iedereen kan worden gedeeld. Zij waren cultuur-relativisten. Kennis was voor hen subjectief, het product van een bepaalde cultuur. Ook dit was een 19e eeuwse trend die tegen het Verlichtingsideaal inging. Iemand als Nazi-voorloper Oswald Spengler betoogde dat verschillende culturen geen waarden gemeen hebben, en dus niet met elkaar kunnen communiceren. (Berlin, 11)

‘De mensen walgen van de geld-economie. Ze hopen op verlossing, ergens vandaan, op een waarlijk ideaal van eer en ridderlijkheid, van innerlijke adel, van onzelfzuchtigheid en plicht’

Zo verklaarde Ernst Krieck, door de Nazi’s in 1935 benoemd tot rector magnificus van de universiteit van Frankfurt, in 1936 op een internationaal congres ter gelegenheid van het 550-jarige bestaan van de universiteit van Heidelberg: ‘Ieder volk moet in elke periode zijn eigen leven vormen volgens zijn eigen wet en lot en aan deze wet zijn de wetenschap, en alle andere onderdelen van het bestaan, onderworpen … Het idee van het humanisme, met zijn leerstelling van de pure menselijke rede en de absolute geest die daarop berust, is een filosofisch principe van de 18e eeuw, veroorzaakt door de omstandigheden uit die tijd. Het is op geen enkele manier bindend voor ons die leven onder andere omstandigheden en een ander lot.’ (Weinreich, 21)

Merk de verwantschap op met Marx’ deterministische filosofie, waarin geen objectieve waarheid bestaat, en geen universele menselijke waarden.

Een andere Duitse professor zei het als volgt: ‘Een dergelijk volks perspectief bergt zekerheid in zichzelf en niet in enig logisch criterium van waarheid.’ (Weinreich, 21) ‘In plaats van een vage mengeling van algemene begrippen en waarden die in het verleden de geest van het humanisme werden genoemd, of het idee van westerse cultuur’, schreef de prominente filosoof Alfred Baeumler, ‘heeft het nationaal-socialisme een organisch gefundeerde wereldbeschouwing gecreëerd.’  (Weinreich, 23)

Heidegger had al eerder de logische gevolgtrekking gemaakt uit de Nazi-epistemologie. Al op 27 mei 1933 had hij een formele verklaring afgelegd waarin hij stelde dat ‘het tijdperk van wetenschap en academische vrijheid’ voorbij was en dat het voortaan ‘de taak was van intellektuelen om te denken in dienst van de Nazi staat.’ (Peikoff, 210)

Hitlers weerstand tegen objectieve kennis had ook gevolgen voor de manier waarop hij de economische realiteit benaderde. Die lijkt erg veel op de op ‘wilskracht’ gebaseerde aanpak van Mao. Dat er zoiets bestaat als een economische wetenschap die wetmatigheden in de realiteit beschrijft, is aan Hitler niet besteed. ‘Dat is allemaal geen geheime wetenschap, zoals de professoren denken’, zegt hij over de economie, ‘maar een kwestie van gezond verstand en wilskracht.’

Inflatie definieerde Hitler kernachtig als ‘gebrek aan discipline’. ‘Ik zal ervoor zorgen dat prijzen stabiel blijven. Daar heb ik mijn stormtroepen voor. Wee degenen die hun prijzen verhogen. We hebben geen wetgeving nodig om hen aan te pakken. Dat doen we met de partij. Je zult het zien: als onze stormtroepen een winkel hebben bezocht om de dingen recht te zetten, gebeurt dat geen tweede keer meer …’ (Turner, 81)

Holocaust monument Berlijn foto Larahcv, Pixabay

  1. Het anti-kapitalisme van de Nazi’s

Het fascisme of Nazisme wordt soms afgeschilderd als een soort uit de hand gelopen radicaal kapitalisme. Dit is lariekoek. Het Nazisme was een radicale vorm van socialisme. Als de Nazi’s één duidelijk standpunt hadden, dan was het wel hun afkeer van alles wat zweemde naar kapitalisme, liberalisme en commercie. Zij beschouwden het kapitalisme als een individualistische Angelsaksische uitvinding die onverenigbaar was met de Germaanse geest.

Het intellektuele verzet tegen liberalisme en kapitalisme was al vroeg in de 19e eeuw begonnen in Duitsland, met name onder de studenten (Burschenschaften), die fel gekant waren tegen ‘het Franse rationalisme’ en ‘het Britse individualisme’ en terug wilde keren naar de Middeleeuwen, toen mensen nog niet ‘bedorven’ waren door materialisme of besmet door industrialisatie en urbanisatie.

De conservatieve denker Oswald Spengler beschreef in zijn zeer invloedrijke boek, De Ondergang van het Avondland (gepubliceerd in 1922), het grote conflict tussen ‘geld’ (kapitalisme) en ‘bloed’ (socialisme), dat in zijn tijd zijn hoogtepunt bereikte en waarin volgens hem de macht van het geld definitief zou worden gebroken door de dienaren van de Staat.

‘De mensen walgen van de geld-economie’, schreef Spengler. ‘Ze hopen op verlossing, ergens vandaan, op een waarlijk ideaal van eer en ridderlijkheid, van innerlijke adel, van onzelfzuchtigheid en plicht. En nu breekt de tijd aan waarin de … krachten van het bloed, die waren onderdrukt door het rationalisme van de Megalopolis, opnieuw ontwaken in de diepten. Alles dat in het teken staat van dynastieke traditie en oude adel die zich gespaard heeft voor de toekomst, alles dat bestaat van de hoge geld-verachtende moraal, alles dat intrinsiek sterk genoeg is … om de dienaar te zijn – de hardwerkende, opofferende, zorgzame dienaar van de Staat – dit alles wordt opeens het middelpunt van immense levenskrachten. Ceasarisme groeit in de bodem van de Democratie, maar zijn wortels reiken diep in de ondergrond van bloed-traditie … Nu begint de beslissende strijd tussen Democratie en Ceasarisme, tussen de leidende krachten van dictatoriale geld-economie en de puur politieke wil tot ordening van de Ceasars.’ (Spengler, 396-97, mijn ongetwijfeld inadequate vertaling uit het Engels)

Spengler beschouwde de ‘strijd’ waar hij over schreef als ‘het beslissende conflict … tussen geld en bloed’, waarbij hij uiteraard de kant van het bloed koos. ‘De komst van het Ceasarisme breekt de dictatuur van het geld en zijn politieke wapen, democratie … Het zwaard overwint het geld, de meester-wil onderwerpt de plunderaar-wil. Als we deze geldmachten Kapitalisme noemen, dan mogen we de wil om een machtig politiek-economisch systeem in het leven te roepen dat uitstijgt boven alle klassenbelangen Socialisme noemen; een systeem van verheven bedachtzaamheid en plichtsgevoel dat het geheel in de juiste vorm houdt voor de beslissende slag in zijn geschiedenis … Een macht kan alleen worden overwonnen door een andere macht…. Geld wordt omvergeworpen en afgeschaft door bloed … Het Ceasarisme dat zal overwinnen komt naderbij met kalme, vaste tred – onze richting, tegelijk gewild en verplicht, wordt voor ons bepaald binnen smalle grenzen, en op een andere manier is het leven het niet waard om geleefd te worden. We hebben niet de vrijheid om dit of dat te doen, maar de vrijheid om het noodzakelijke te doen of niets te doen. En een taak die door historische noodzakelijkheid is bepaald zal worden uitgevoerd, met het individu of tegen hem.’ (Spengler, 414-415) Enzovoort, enzovoort.

‘Wie zou nu liberaal zijn? … Het liberalisme is een levensfilosofie, waarvan de Duitse jeugd zich nu met walging, met woede en met zeer bijzondere verachting afwendt, want er bestaat geen vreemder, afstotender en – ten opzichte van hun eigen filosofie – meer tegengesteld denken’

Zoals Nazi-coryfee Albert Speer later schreef, beschouwden veel Nazi’s en Nazi-sympathisanten het geleuter van Spengler als een ‘profetie’, de belofte van de komst van een nieuwe Caesar, die door Hitler werd ingelost. (Speer, 46. Spengler zelf wees het Hitlerisme overigens uiteindelijk af.)

Een andere ‘profetie’ was afkomstig van de al even invloedrijke Arthur Möller van den Bruck, die een jaar na Spengler met een boek uitkwam waarin hij beweerde dat de Duitsers de leidende creatieve geesten in Europa waren. Het eerste Duitse rijk ontstond in de Middeleeuwen en vormde de basis voor het moderne Europa. Het tweede Duitse rijk was de staat van Bismarck. Nu hadden de Duitsers een nieuwe mogelijkheid: door de maatschappij te zuiveren van het liberalisme en het kapitalisme, konden zij een nieuw rijk bouwen dat duizend jaar zou voortleven. Het boek heette Das Dritte Reich. (Johnson, 1983, 127)

Möller van den Bruck had net als Spengler en Sombart niets dan minachting voor het liberalisme. Hij schrijft dat ‘er heden ten dage geen liberalen in Duitsland zijn; er zijn jonge revolutionairen; er zijn jonge conservatieven. Maar wie zou nu liberaal zijn? … Het liberalisme is een levensfilosofie, waarvan de Duitse jeugd zich nu met walging, met woede en met zeer bijzondere verachting afwendt, want er bestaat geen vreemder, afstotender en – ten opzichte van hun eigen filosofie – meer tegengesteld denken. De Duitse hedendaagse jeugd ziet in de liberaal de aartsvijand.’ (Hayek, 1944, 203) Spengler had al eerder geschreven dat in Duitsland ‘alleen het liberalisme wordt veracht’.

Hitler dacht er precies hetzelfde over. Hij had niets dan minachting voor de wereld van Adam Smith – voor een vrije marktmaatschappij waarin bedrijven en burgers economische doeleinden nastreven en de relaties tussen landen worden bepaald door vrijhandel. ‘In beslag te worden genomen door vreedzame economische activiteiten beschouwde Hitler … niet alleen als misplaatst, maar schadelijk, in potentie zelfs dodelijk’, schrijft historicus H.A. Turner. De kwaliteiten die nodig zijn om een staat op te bouwen en te laten functioneren zijn volgens Hitler altijd ‘de heroïsche deugden en niet het egoïsme van de zakenman’. ‘Mensen zijn niet bereid om te sterven voor zaken, maar alleen voor idealen,’ zei Hitler. Naties waren volgens hem verwikkeld in een strijd om het bestaan, waarvan de uitkomst volgens Hitler uiteindelijk zou worden bepaald door oorlog – door, in zijn woorden, ‘het zwaard’, of wat hij noemde ‘Bluteinsatz’. (Turner, 72-74)

Hitler ging voortdurend tekeer tegen het ‘materialisme’, de industrialisatie, het grootbedrijf, de urbanisatie, het ‘kosmopolitisme’ van de moderne maatschappij. Net als Pol Pot, Stalin en Mussolini haatte hij het kosmopolitisme, het leven in de grote steden die hij beschouwde als ‘zweren op het lichaam van het Volk, waarin alle kwaad, slechte gewoonten en ziekten bij elkaar komen’. De ‘op dividend beluste zakenmensen’ kregen er in Mein Kampf ook van langs vanwege hun ‘hebzucht’, ‘meedogenloosheid’ en ‘kortzichtige benepenheid’.

In 1932 sneerde hij tegen een groep Nazi-leiders: ‘Ik laat me niks wijs maken door deze kapiteins van de industrie. Kapiteins! Ik zou de brug weleens willen zien waarop ze ooit het roer hebben vastgehouden. Het zijn oppervlakkige lieden die niet in staat zijn om verder te kijken dan hun neus lang is.’ (Turner, 75) Het is dezelfde tegenstelling die Sombart al had geschetst in zijn ‘Händler’ en ‘Helden’, en die een doorsnee conservatieve denker als Francis Fukuyama in 1993, in zijn boek Het einde van de geschiedenis, nog steeds verkondigde. ‘Zakenmensen’, verklaarde Fukuyama, ‘zullen ergens in hun achterhoofd wel beseffen dat er echte revolverhelden en heersers op deze wereld hebben bestaan, die niets dan minachting zouden hebben voor de kleinzielige deugden die nodig zijn om rijk of beroemd te worden in het moderne Amerika.’

Het anti-kapitalisme van de Nazi’s kwam ook helder tot uiting in de partijprogramma’s van de NSDAP. De Nazi’s eisten de nationalisatie van alle nationale vennootschappen, inclusief de banken en warenhuizen, een verbod op renteheffing en speculatie in land, de afschaffing van de aandelenhandel, een inkomensplafond en de doodstraf voor woekeraars en ‘profiteurs’. Op het gebied van sociaal-economische kwesties nam de NSDAP regelmatig standpunten in die in niets verschilden van extreem links. (Turner, 65) Zij benadrukten steeds weer dat particulier bezit niet hoefde te worden afgeschaft, zolang het maar werd aangewend ‘ten gunste van de gemeenschap’.

Toen de NSDAP na de verkiezingen een grote afvaardiging had in de Reichstag, diende zij diverse, antikapitalistische voorstellen in, zoals de nationalisatie van de banken, een verbod op handel in aandelen en obligaties, en een maximum rente van 5%. (Turner, 127)

‘Mensen zijn niet bereid om te sterven voor zaken, maar alleen voor idealen’

Er bestaat een beeld dat het Hitler-regime economisch een groot succes was, maar dat is een mythe. Landen als Nederland en Oostenrijk waren stukken welvarender dan Duitsland in de jaren dertig. In Duitsland heerste bittere armoede. Duitse officieren bestormden levensmiddelenwinkels in Oostenrijk na de Anschluss om boter, worst en ander voedsel in te kopen. (Toland, 486)

In 1936, drie jaar nadat Hitler aan de macht was gekomen, was sprake van een economische noodtoestand. Daarop kwam Hitler met een vierjarenplan dat nog sterker dan voorheen was gericht op autarkie. ‘Hij reageerde door de grote ondernemingen met staatsinterventie te bedreigen wanneer ze weigerden mee te werken aan de strijd voor onafhankelijkheid. Hij verklaarde dat ‘het bankwezen en de economie en alle theorieën’ er waren ‘om de strijd van een volk voor zijn zelfhandhaving te dienen’. Voor Hitler was het eenvoudig een kwestie van wilskracht, en hij eiste een economische mobilisatie ‘vergelijkbaar met de militaire en politieke mobilisatie’ …’

Göring werd aangesteld om de uitvoering van het vierjarenplan te leiden. ‘Met woorden die een generatie later vrijwel herhaald zouden worden door een Amerikaanse president, riep hij [Göring] alle Duitsers op hun land te dienen. “Ieder van ons zou zich iedere dag moeten afvragen wat hij kan doen en hoe hij kan bijdragen tot het succes van de gezamenlijke inspanning”.’ Hitler verklaarde tegenover een groep belangrijke industriëlen. ‘Hij [Göring] is de beste man voor deze functie, een man met ijzeren wilskracht en vastberadenheid. Volg hem daarom in gesloten gelid.’ Göring zei daarop tegen het gezelschap dat ‘het er niet langer om ging economisch te produceren, maar slechts om te produceren’. (Toland, 437) Minister van Economische Zaken Schacht verzette zich tegen deze ‘economische onzin’ en werd dan ook de laan uitgestuurd.

Het algemene beeld dat door tijdgenoten en historici naar voren komt van de economie onder de Nazi’s is dat van een inefficiënte, chaotische planeconomie. Net als het communisme maakte het Nazisme op grote schaal gebruik van dwangarbeid. De Nazi’s bouwden meer dan 10.000 concentratiekampen, een ‘enorm netwerk’ dat heel Duitsland en later de bezette gebieden besloeg, en dat niet alleen bestond uit vernietigingskampen maar grotendeels uit werkkampen. (Goldhagen, 181)

  1. Het anti-semitisme van de Nazi’s

Het Nazisme staat natuurlijk vooral bekend vanwege zijn anti-semitisme en de vervolging van de Joden. Anti-semitisme is een vorm van racisme. Racisme is een vorm van collectivisme – van het denken in termen van groepen in plaats van individuen. Het is dan ook het collectivisme van de Nazi’s dat ten grondslag ligt aan hun antisemitisme.

De Nazi’s zagen de geschiedenis als een strijd tussen rassen (in plaats van klassen, zoals de communisten). Zij bestreden alle rassen en groepen die zij beschouwden als wezensvreemd en vijandig. Om historische redenen waren de Joden hierbij hun belangrijkste (maar niet enige) doelwit.

De Duitse maatschappij was net als andere Christelijke maatschappijen al vanaf de middeleeeuwen doortrokken van antisemitisme. Onder invloed van de Verlichting kwam hier, in het begin van de 19e eeuw, verandering in. ‘Pas in de 19e eeuw was er sprake van een (zwakke) emancipatiebeweging, die leidde tot een eerste emancipatieregeling in 1807 en eindigde bij het verlenen van volledige burgerrechten aan Joden in 1869-71’, schrijft Goldhagen. (71)

Maar de geest van de Verlichting werd in Duitsland van meet af aan ondergraven door de Hegeliaanse collectivistische contrarevolutie. De pogingen om Joden gelijke rechten te geven, werden fel bestreden door de Duitse ‘Volksbeweging’, met andere woorden, vanuit het opkomende nationalisme. Al in 1880 werd via een nationale petitiecampagne gepleit voor het terugdraaien van de Joodse rechten. Hierover werd in de Reichstag twee dagen gedebatteerd. Er werden 265.000 handtekeningen opge­haald, ‘van landeigenaren, priesters, leraren en ambtenaren’. (Goldhagen, 71)

‘In de tweede helft van de 19e eeuw werd het onmogelijk om over het Duitse volk te spreken zonder het begrip ‘ras’ op te roepen’, merkt Goldhagen op, ‘en dus ook het uitsluiten van de Joden uit Duitsland. De begrippen ‘volk’ en ‘ras’ overlapten elkaar en raakten … met elkaar vervlochten …’ (Goldhagen, 76-77)

Tegen het einde van de 19e eeuw ontstond ook steeds vaker de roep om uitroeiing van de Joden. Er werd steeds luider geroepen om ‘genadeloze vervolging en vernietiging’. De Joden werden gezien als ‘parasieten en ongedierte’, dat verdelgd diende te worden. (Goldhagen, 80)

Historicus Paul Johnson traceert het moderne anti-semitisme in Duitsland naar allerhande ‘romantische’ Duitse groepen uit de 19e eeuw, zoals de ‘Wandervögel’, alternatieve jongeren die de westerse beschaving en het kapitalisme afwezen en een soort terug-naar-de-natuur filosofie koesterden. Eind 19e, begin 20e eeuw was het antisemitisme sterk in de mode in Duitsland. ‘Het was een cultureel en artistiek fenomeen, een vorm van romanticisme.’ (Johnson, 1983, 119) ‘Oproepen voor de vernietiging van de Joden werden veelvuldig gedaan en waren populair’, schrijft Johnson. ‘Anti-semitische pamfletten hadden miljoenenoplagen.’ De Joden werden neergezet als de representanten van de moderne, materialistische, kapitalistische maatschappij die door de romantici werd bestreden.

‘De onderwerping van het slachtoffer aan zinloosheid wordt de vernietiging van zinnigheid. Zijn onderwerping aan absurditeit wordt de verwerping van logica’

Zoals we al eerder hebben gezien, liepen studenten en academici hierin voorop. Dat was al zo tijdens de Weimar-republiek, waarin het anti-semitisme met name op scholen en universiteiten welig tierde. ‘Op de ene universiteit na de andere werden de toonaangevende studentenorganisaties al in de eerste jaren van de Weimarrepubliek overheerst door nationalistische, völkische en antisemitische kra­chten, dikwijls met een electorale meerderheid van tweederde tot drievierde. Zonder al te veel tegenwerking werden door veel studentenorganisaties ‘Arische paragrafen’ aangenomen, bepalingen waarin werd gevraagd om uitsluiting van of sterke beperkingen voor de Joden …’ (Goldhagen, 94)

Voor Hitler was de vernietiging van de Joden een essentieel onderdeel van zijn ideologische doeleinden. ‘Als ras-socialist in plaats van klasse-socialist, geloofde Hitler dat de dynamiek van de geschiedenis werd bepaald door ras. De dynamiek werd verstoord wanneer er ras-vergiftiging (rassenvermenging) plaatsvond.’ (Johnson, 1983, 342) Het gevaar van rassenvergiftiging was een veelvoorkomende obsessie ten tijde van Hitlers jeugd, schrijft Johnson, ‘net als milieuvergiftiging in de jaren zeventig’.

Hoe onstellend collectivistisch en racistisch het wereldbeeld van de Nazi’s was, valt te illustreren met een alledaags voorbeeld uit het boek van Weinreich, Hitler’s Professors, dat niet gaat over de Joden, maar over de Polen. Nadat de Duitsers Polen hadden ingenomen, rees de vraag wat te doen met de 15 miljoen inwoners van het bezette gebied. Voor de racisten van Hitler’s partij was dit een probleem. Moet je ze vermoorden, zoals de Joden? Zo niet, kun je ze laten mengen met het Germaanse ras?

Een memo van ene Dr. Gollert van het ministerie van Propaganda constateert dat er drie mogelijkheden zijn. Ten eerste, alle Polen in het Germaanse volk incorporeren – maar dat zou wel een grote influx van Fremdvölkische elementen betekenen. Ten tweede, uitroeien. Een dergelijke radicale maatregel kan gerechtvaardigd zijn op biologische gronden, zoals bij de Joden, stelt Dr. Gollert, maar is in dit geval een oplossing ‘onwaardig’ voor een culturele natie. Ten derde, deporteren. Technisch mogelijk, maar ongewenst omdat in de toekomst een streven naar hereniging zou kunnen ontstaan. Dr. Gollert komt tot het volgende advies. Zo’n 7 tot 8 miljoen Polen kunnen wel worden opgenomen in het Germaanse ras; de combinatie van Slavisch en Teutoons is vrij gunstig, zo is in het verleden gebleken; 4 tot 6 miljoen Polen kunnen worden gebruikt als ‘arbeidskrachten’ (dat wil zeggen, slaven). Blijven er 2 tot 3 miljoen over die ‘voor ons Duitsers geen waarde hebben’, zoals fanatici, asociale elementen, alle zieken en anderen die niet kunnen werken – voor deze mensen kunnen ‘radicale maatregelen niet worden vermeden’, aldus Dr. Gollert. (Weinreich, 181-182)

Auschwitz victims, foto Dimitris Vetsikas

  1. De concentratiekampen

Dit brengt ons bij de vraag waarmee we zijn begonnen: hoe heeft het kunnen gebeuren? Hoe was het mogelijk dat, in (en door) het intellektueel meest vooraanstaande land ter wereld, in het hart van Europa, miljoenen mensen koelbloedig werden afgeslacht?

Zoals we hebben gezien hadden de Nazi’s individuele rechten afgeschaft. Het idee van een individualistische ethiek hadden zij afgeschaft. De rede als bron van kennis, als de ultieme kennistheoretische en morele arbiter in de samenleving, hadden zij afgeschaft. De notie van een onafhankelijk rechtssysteem, gevoed door redelijkheid en gebaseerd op de onvervreemdbare rechten van ieder individu, hadden zij afgeschaft. Voor de Nazi’s was het enige dat telde het belang van de natie, het ras, het Volk. Het ‘goede’ voor de Nazi’s was alles wat goed was ‘voor het Volk’.

De waarheid was datgene dat van waarde was voor het Volk. Waarheid en moraliteit konden volgens de Nazi’s niet worden gebaseerd op objectieve of redelijke gronden, maar waren functioneel en relatief: datgene wat ‘werkt’ voor het Germaanse volk is waar, datgene wat het voortbestaan van het Germaanse ras bevordert is goed. Het goede, ware en schone stelden zij gelijk aan eigen bloed en eigen bodem. Daarbij telden individuen niet. De individuen waren de middelen, het materiaal, de instrumenten – het voortbestaan van de gemeenschap, het ras, het volk, het hoogste doel.

Dit was de Nazi’s ingegeven door een lange rij prestigieuze filosofen en schrijvers en er was niemand die in de jaren dertig nog durfde te beweren dat de rechten van het individu belangrijker zijn dan ‘het algemeen belang’. De Nazi’s omarmden de Rousseauiaanse, Hegeliaanse, Marxistische, socialistische, nationalistische en romantische noties die de Europese cultuur in de 19e en 20e eeuw had voortgebracht en brachten die noties radicaal in de praktijk. Zij bewerkstelligden, in het hart van Europa, een Umwertung aller Werte, met Duitse grondigheid en Duits idealisme. In de woorden van de beroemde filosoof Martin Heidegger: ‘De Nationaal Socialistische revolutie is niet slechts de overname van een bestaande macht door een andere, grotere partij, maar deze revolutie betekent een complete omwenteling van ons Duitse bestaan … Heil Hitler.’ (Weinreich, 14)

De Nazistische revolutie leidde in drie stappen tot de holocaust. Ten eerste werden alle mensen die niet tot het eigen volk behoorden, bestempeld tot ondermensen, en zelfs ‘niet-mensen’. Volgens Walter Buch, de opperrechter van de Nazi-partij, was de jood geen menselijk wezen, zelfs geen Unter­mensch, maar een ‘anti-ras’. (Goldhagen, 400)

Vervolgens werden de leden van het eigen volk ertoe aangezet de ondermensen en niet-mensen te bestrijden en uit te roeien als een vorm van plichtvervulling, hetgeen zij braaf en nauwgezet deden. Ten slotte – omdat redelijkheid en individuele rechten wel degelijk bestaan en op objectieve gronden berusten, omdat menselijkheid, zoas de Verlichtingsdenkers wisten, gebaseerd is op redelijkheid en het daadwerkelijke, feitelijke bestaan van ieder mens als autonoom en uniek individu – veranderden de Nazi’s en hun volgelingen, ook al geloofden ze nog zo hard in hun valse idealen en beriepen ze zich nog zo hard op hun heilige plicht, in immorele beesten; raakten zij bezeten van een blinde haat voor alles wat redelijk, individueel en menselijk is, in de ban van oerdriften en instincten die erop waren gericht om alles wat van waarde is voor het individuele leven te vernietigen en van een razernij die bedoeld was om de laatste restjes van hun eigen geweten, datgene wat ooit hun eigen unieke persoonlijkheid was, te smoren. Zij veranderden hun slachtoffers in onmensen om niet te hoeven zien dat het mensen waren, zij moordden en martelden om hun eigen ontmenselijking niet onder ogen te hoeven zien, als relschoppers in de nacht die des te harder gaan schreeuwen naarmate ze banger zijn.

‘Duitsland was met afstand het land met het beste onderwijs in de wereld – al aan het einde van de 18e eeuw was minder de helft van de bevolking analfabeet’

Dat de Nazi’s allereerst doodden uit plichtsvervulling, uit ideologische overwegingen, om de ondermensen op te ruimen, blijkt uit talloze getuigenissen. We hebben het al gezien bij Eichmann. Ook Himmler omschreef het uitroeien van Joden en andere ondermensen als een ‘walgelijke plicht’. Finkelstein en Birn citeren een Nazi die zegt: ‘zelfs wanneer hij gevolg geeft aan het bevel tot doden, dient de SS’er fatsoenlijk te blijven’. De man ‘die zichzelf overwon om te doden’ werd beschouwd als een goede soldaat en een echte nazi. (Finkelstein en Birn, 58-59)

Het is een schromelijke vergissing, verklaarde een overlevende van Auschwitz, om te denken dat de SS een bende sadisten was. Het waren ‘gewone’ mensen, beklemtoont Finkelstein, en hij omschrijft een Einszatkommando: ieder van de verdachten heeft een behoorlijke scholing genoten. Een is hoogleraar, anderen zijn jurist, tandarts, kunstkenner, operazanger, voormalig priester, een afstammeling van Schubert. (Finkelstein en Birn, 91) Deze mensen doodden omdat zij geloofden in de idealen van Adolf Hitler, niet omdat het ratten waren die uit Beierse bierkelders waren gekropen.

De vier SS Einsatzgruppen die tot taak hadden in het Oostelijke operationele gebied bolsjewisten, zigeuners, joden, Aziaten, geestelijk gestoorden en ander onwelkom volk te liquideren, werden geleid door officieren die voor het merendeel een hogere opleiding hadden genoten, bevestigt de historicus Toland. ‘Onder hun gelederen kon men een protestantse dominee aantreffen, een arts, een operazanger en talrijke juristen. Het ging voor het merendeel om intellectuelen van begin dertig en men zou kunnen veronderstellen dat dergelijke mensen niet geschikt waren voor dit werk. Het tegendeel was echter het geval; zij konden voor hun brute werk gebruik maken van hun niet onaanzienlijke vaardighden en opleidingen en ze ontwikkelden zich, ondanks gewetenswroeging, tot efficiënte beulen.’ (Toland, 733) Himmler was een keer aanwezig bij een executie en hij was er flink door van slag. Maar zei hij, nadat hij zijn SS’ers bij zich had geroepen, het walgelijke werk wat zij deden ‘moest in geen enkel opzicht een belasting vormen voor hun geweten. Hij alleen droeg, tegenover God en de Führer, de afschuwelijke verantwoordelijkheid voor wat er gedaan moest worden.’ Hij vond het zelf ook maar niks. ‘Maar hij gehoorzaamde aan de hoogste wet en deed zijn plicht.’ (Toland, 734)

Goldhagen beschrijft eveneens uitgebreid de daden van ‘gewone’ politiebataljons, die voor het merendeel bestonden uit ‘gewone’, vaak al wat oudere Duitsers, die zelfs geen nazi of SS’ers waren. Deze bataljons richtten een onvoorstelbare slachting van mensen aan. Eén politiebataljon moordt in Polen al met al 80.000 Joden uit – mannen, vrouwen, kinderen. ‘Ik herinner me,’ zegt een van de daders. ‘tot op heden precies dat we al vlak voor het kolenhok stonden toen er een vijfjarig jongetje uit kwam kruipen. Hij werd meteen gegrepen door een politieman, die hem zijn pistool in de nek hield en dood­schoot. Deze Beamter was bij ons peloton ingedeeld als de enige hospik.’ (Goldhagen, 233)

Het politiebataljon hield strooptochten op zoek naar Joden alsof het konijnen waren. Iedere Jood die ze vonden werd afgeslacht. Daar hadden ze overigens ook het ‘recht’ toe. Iedere duitser was gerechtigd om iedere Jood die hij tegen kwam af te maken. ‘Een voorval staat me nog goed bij,’ vertelt een andere dader. ‘Onder leiding van sergeant Bekemeier moesten we een stel Joden ergens naar toe brengen. Hij liet de joden door een plas kruipen en daarbij zingen. Toen een oude man niet meer verder kon … schoot Bekemeier hem van dichtbij in zijn mond … Het lijk lieten we gewoon liggen. Daar hielden we ons niet mee bezig.’ (Goldhagen, 234) Een ander die de leiding had over een moodoperatie: ‘Intussen schoot Rottenführer Abraham de kinderen dood met een pistool. Er waren er ongeveer vijf. Ik geloof dat ze tussen de twee en zes jaar waren. Abraham doodde de kinderen op een wrede manier. Hij trok hen bij de haren van de grond, schoot hen door de achterkant van hun hoofd en wierp hen dan in het graf. Na een tijdje kon ik dit niet meer aanzien en ik beval hem te stoppen. Ik bedoelde dat hij de kinderen niet meer bij de haren van de grond mocht trekken en hen op een fatsoenlijkere wijze moest doden.’ (Goldhagen, 389)

‘Voor het liberalisme is het individu het doel en de maatschappij het middel … Voor het Fascisme is de maatschappij het doel, de individuen de middelen’

Dit was, schrijft Goldhagen, allemaal dagelijks werk, waarvoor het nooit ontbrak aan vrijwilligers. ‘Het was voor hen een jacht, niets meer dan dat, met als doel het platteland te bevrijden van deze kwalijke beesten. De Duitsers zelf spraken zo over deze acties. Onderlingen noemden ze een zoekactie veelzeggend een “jodenjacht”.’ (Goldhagen, 236) Terwijl zij kinderen, vrouwen, bejaarden en zieken afmaakten en gezonde mannen afvoerden naar de concentratiekampen, leidden de daders een heel normaal sociaal leven. Hun vrouwen kwamen langs, er waren gezellige avondjes, uitjes, discussies, kerkdiensten, sportwedstrijden, enzovoort. Het waren geen ‘moordrobots’, zoals Goldhagen zegt. ‘De Jood werd door ons niet erkend als menselijk wezen,’ verklaarde een van de daders achteraf. (Goldhagen, 273)

Tekenend is ook dat iedereen volkomen vrijwillig handelt. Hanna Arendt schrijft in een boek uit 1964 al wat Goldhagen 35 jaar later vaststelt, namelijk, ‘hoe gemakkelijk het was voor leden van de moordbataljons om hun baan op te zeggen zonder dat zij hiervan ernstige consequenties ondervonden.’ In de verslagen van de processen van Neuremberg ‘komt geen enkel voorbeeld voor van een lid van de SS die de doodstraf had gekregen omdat hij weigerde aan een executie deel te nemen.’ (Arendt, 1963, 91) Volgens Goldhagen was het tamelijk eenvoudig om een commissie te weigeren door overplaatsing aan te vragen.

Maar hoe ‘gewoon’ het doden ook was, vanuit collectivistisch oogpunt, de moraliteit van het individualisme die ten grondslag ligt aan wat goede en waardevol is, wordt ermee geschonden, verkracht. De collectivistische immoraliteit brengt uiteindelijk slechts dood voort – de vernietiging van alle bij uitstek menselijke waarden. In de concentratiekampen van de Nazi’s, waar de holocaust plaatsvond, vond het ‘ideaal’ van het collectivisme zijn hoogtepunt, en tegelijk zijn morele einde.

In de woorden van Leonard Peikoff:

‘De Nazi’s predikten een bepaalde filosofie – en die voerden zij uit. Ze predikten autoriteit boven rechten, de groep boven het individu, zelfopoffering boven geluk, nihilisme boven moraliteit, gevoelens boven feiten … gehoorzaamheid boven logica, de Führer boven het eigen geweten – en dat pasten ze toe … In de buitenwereld waren er echter beperkingen aan dit proces. Een bepaalde mate van consistent beleid en individuele onafhankelijkheid was nodig om de natie te laten functioneren. In de kampen was het niet nodig om de menselijke vernietiging te beperken, en om de medewerking te verkrijgen van de slachtoffers … Het doel was: niet om de ideologie van de irrationaliteit te prediken, maar om hem in de praktijk te brengen, en daarmee om mensen in hun menszijn te verlammen, ongeacht hun keuzes of wat ze dachten… De kampleiders drukten hun minachting voor menselijke intelligentie niet meer uit in woorden. Ze maakten intelligentie hulpeloos en daarbij verstikten ze het. Ze hoefden eigenbelang en zelfrespect niet meer te veroordelen. Zij vernederden de gevangene zo erg dat zelfrespect of eigenbelang onmogelijk werd voor hem. Waar de kampen zich met name op richtten was het vernietigen van de voorwaarden die de menselijke geest nodig heeft om te kunnen functioneren…. In de laatste fase van de lust voor macht, moet de dominantie totaal zijn, dat wil zeggen, hij moet metafysisch zijn. Geen entiteit of wet van enigerlei aard mag nog in de weg staan van de grillen van de leider, hoe tegenstrijdig of arbitrair ze ook zijn … De onderwerping van het slachtoffer aan zinloosheid wordt de vernietiging van zinnigheid. Zijn onderwerping aan absurditeit wordt de verwerping van logica. Zijn aanvaarding van leugens wordt de omverwerping van de waarheid. Zijn opgave van al zijn waarden, inclusief zijn leven, wordt de vernietiging van waarden en het leven zelf. In essentie, wat de Nazi’s zelf wilden hebben van de kampen was dezelfde onbeperkte irrationaliteit die zij oplegden aan hun slachtoffers.’ (Peikoff, 273-75)

  1. Het idealisme van de Nazi’s

Het schokkende geweld dat door het Nazi-regime werd voortgebracht, was, kortom, een uitdrukking van de ideologische omwenteling die Duitsland in zijn greep had gekregen in de 19e eeuw en die de Duitsers met hun onverbiddelijke hang naar perfectionisme en idealisme in de praktijk brachten. Het geweld was geen kracht die van buitenaf, of uit bierkelders, kwam, maar van bovenaf, van de intellektuelen, van diezelfde Dichter und Denker waar Duitsland beroemd om was. In zijn introductie bij het boek van Albert Speer vraagt redacteur Eugene Davidson zich af, ‘Wat was er gebeurd met de natie van denkers en dichters, de “goede” Duitsers die de 19e eeuw kende?’ (Speer, 15) Het antwoord is dat het de “goede” Duitsers waren die verantwoordelijk waren voor het geweld; het antwoord is dat het ‘goede’, zoals gedefinieerd door (Duitse) intellektuelen in de 19e eeuw, onvermijdelijk moest leiden tot het totalitairisme; met andere woorden, dat de ‘goede’ waarden van het collectivisme en irratonalisme die in de 19e eeuw werden gepredikt, niet goed waren, maar slecht.

Een cliché van voor de oorlog luidde dat Duitsland het land was ‘waar alle sociale en politieke krachten van de moderne beschaving hun hoogst ontwikkelde vorm bereikt hebben’. (Hayek, 1944, 63) ‘Duitsland was met afstand het land met het beste onderwijs in de wereld – al aan het einde van de 18e eeuw was minder de helft van de bevolking analfabeet. In de 19e eeuw had het een hoger onderwijssysteem ontwikkeld dat in zijn grondigheid en diversiteit geen gelijke kende. Er waren wereldberoemde universiteiten in München, Berlijn, Hamburg, Göttingen, Marburg, Freiburg, Heidelberg en Frankfurt.’ (Johnson, 1983, 112)

Het waren de studenten en de professoren, de meest vooruitstrevende ‘politieke krachten’ in de moderne beschaving – zowel binnen als buiten Duitsland – die de ramp van het Nazisme – en de andere totalitaire systemen van de 20e eeuw – teweeg brachten. Lenin, Mao, Pol Pot en Hitler waren producten van Rousseau, Kant, Hegel, Fichte, en al die andere grote en kleine collectivistische denkers, die het individualisme en rationalisme van de Verlichting verwierpen.

‘In artikelen in kranten en tijdschriften verdedigde George Bernard Shaw Hitler en andere dictators, zoals Mussolini, Lenin, Trotski en bovenal Stalin, die hij als de grootste mens op aarde beschouwde’

Hayek legt zoals gewoonlijk de vinger op de zere plek: ‘Indien men eenmaal toegeeft dat het individu slechts een middel is om de doeleinden van een hogere eenheid … te dienen, volgen de meeste trekken van totalitaire regimes die ons afschrikken, daaruit noodzakelijkerwijs voort. Vanuit het collectivistische standpunt bezien, zijn onverdraagzaamheid en gewelddadige onderdrukking van andere meningen, het algehele voorbijgaan aan het leven en het geluk van het individu, essentiële en onvermijdelijke gevolgen van deze grondpremisse … Wanneer Duitse filosofen keer op keer het streven van persoonlijk geluk op zichzelf als immoreel voorstellen en alleen het vervullen van een opgelegde taak als prijzenswaardig, zijn zij volkomen oprecht, hoe moeilijk dit ook te begrijpen mag zijn voor degenen die in een andere traditie zijn grootgebracht.’ (Hayek, 1944, 173)

Zo heeft het kunnen gebeuren. De concentratiekampen van de Nazi’s en communisten konden ontstaan doordat in de collectivistische wereld individuen niet meer zijn dan middelen die zonder beperking kunnen worden gebruikt voor doeleinden die uiteindelijk bepaald worden door enkele individuen die de macht hebben in de staat. Dat is de kern van ieder collectivistisch systeem. Om nog een keer de Italiaanse fascist Alfredo Rocco te citeren: ‘Voor het liberalisme is het individu het doel en de maatschappij het middel … Voor het Fascisme is de maatschappij het doel, de individuen de middelen – en het hele leven van de maatsschappij bestaat uit het gebruik van individuen als werktuigen voor haar sociale doelstellingen.’

Dit idee – dat het individu ondergeschikt is aan het collectief – had in de eerste helft van de 20e eeuw de wereld veroverd. Iedereen geloofde erin – in meer of mindere mate. ‘Als Hitler vier jaar nadat hij aan de macht was gekomen in 1937 was gestorven’, merkt de historicus Toland op, ‘zou hij – ondanks de economische crisis – ongetwijfeld de geschiedenis zijn ingegaan als een van de grootste figuren uit de Duitse geschiedenis. In heel Europa had hij miljoenen bewonderaars. Gertrude Stein (die Roosevelt vervelend vond) was van mening dat Hitler de Nobelprijs voor de vrede moest krijgen. In artikelen in kranten en tijdschriften verdedigde George Bernard Shaw Hitler en andere dictators, zoals Mussolini, Lenin, Trotski en bovenal Stalin, die hij als de grootste mens op aarde beschouwde.’ (Toland, 438)

Zo kon het gebeuren. Het beangstigende is dat dit wezenskenmerk van het collectivisme heden ten dage nog steeds niet algemeen wordt begrepen of onderkend. Velen onder ons zien het collectivisme, vooral in de socialistische variant, nog altijd als een behartenswaardig ideaal. We mogen misschien hebben afgerekend met de totalitaire leiders van de 20e eeuw, hun 19e-eeuwse idealen zijn nog steeds een vast onderdeel van onze intellectuele bagage. Daarom zijn we wel in staat om onder ogen te zien dat Hitler en Stalin boeven waren, maar willen we niet weten dat zij tegelijkertijd óók oprechte idealisten waren, en dat het hun idealisme was dat hen aan de macht bracht en hun misdaden zo omvangrijk kon maken.

De pijnlijke waarheid is dat de holocaust en de Goelag Archipel en de Killing Fields uitvloeisels waren van diepgewortelde westerse idealen. Nog pijnlijker is dat deze waarden in onze wereld nog altijd breed worden gekoesterd. Als we geen herhaling willen van de holocaust, als we ‘nooit meer Auschwitz’ willen, moeten we om te beginnen deze idealen herzien – moeten we om te beginnen voor eens en voor altijd iedere vorm van collectivisme afzweren. Vrede op aarde begint met het besef dat individuen geen middelen zijn en het welzijn van de maatschappij geen doel, maar andersom: het welzijn van individuen is het doel, de maatschappij is het middel.

Bronnen

F.A. Hayek, De Weg naar Slavernij, Amsterdam, 1985 (Ned. vertaling van The Road to Serfdom, 1944)

Max Weinreich, Hitler’s Professors, the Part of Scholarship in Germany’s Crimes against the Jewish People, (orig. 1946, Yale University Press, 1999)

Terence Kealey, The Economic Laws of Scientific Research, London-New York, 1996

Paul Johnson, Modern Times, New York, 1983

Albert Speer, Inside the Third Reich, London, 1970

Leonard Peikoff, The Ominous Parallels, New York, 1982

H.A. Turner, Jr., German Big Business and the Rise of Hitler, New York, 1985

Werner Maser, Hitlers Mein Kampf, Amsterdam, 1969 (vert. Gerrit Komrij)

Robert Conquest, Reflections on a Ravaged Century, New York, 2000

Albert Jay Nock, Our Enemy the State, New York, 1973 (orig. 1935)

Nikolai Tolstoy, Stalin’s Secret War, London, 1981

John Toland, Adolf Hitler, Het Einde van een Mythe, Utrecht, 1976

Joshua Muravchik, Heaven on Earth, the Rise and Fall of Socialism, San Francisco, 2002

Hanna Arendt, The Origins of Totalitarianism, New York, jaartal onduidelijk, orig. 1948

Hanna Arendt, Eichmann in Jerusalem, New York, Penguin, 1963, 1992

Isaiah Berlin, The Crooked Timber of Humanity, Princeton, NJ, 1990

Oswald Spengler, The Decline of the West, Oxford University Press, 1991

Norman G. Finkelstein en Ruth Bettina Birn, Een Volk staat Terecht, Misleiding en bedrog bij Goldhagen, Amsterdam, 1998

Daniel Jonah Goldhagen, Hitlers Gewillige Beulen, Antwerpen, 1996

0 Reacties

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*