De afschaffing van de autonome mens

De afschaffing van de autonome mens
26/11/2019 Karel Beckman

Beroemd psycholoog heeft het beste voor met de mensheid en wil daarom graag Grote Dictator worden. Recensie van B.F. Skinner, Beyond Freedom and Dignity (1971).

B. F. Skinner

B.F. Skinner, de bekende grondlegger van het Behaviourisme, wordt volgens Hans Achterhuis “naast Freud en Piaget tot de belangrijkste psychologen van deze eeuw gerekend”. Laten we hopen dat dat niet echt waar is. Ik hoor de laatste jaren weinig meer over het Behaviourisme; misschien is de hele theorie al bijna vergeten. In dat geval is deze recensie volkomen overbodig. Maar gerust ben ik er niet helemaal op.

Een boek als Beyond Freedom and Dignity moet je eigenlijk gelezen hebben om te kunnen geloven wat er in staat. Dat vergt enige inspanning, gezien het tenenkrommende taalgebruik, maar die betaalt zich uiteindelijk ruimschoots terug. Zoveel boeken zijn er immers niet van gerenommeerde academici die openlijk, openhartig en enthousiast pleiten voor de afschaffing van vrijheid en waardigheid en de instelling van een technocratische, totalitaire dictatuur.

Skinner begint zijn boek met een apocalyptische noot. De wereld gaat “onherroepelijk” op een “catastrofe” af, schrijft hij. Die kan alleen worden voorkomen, als het menselijk gedrag radicaal verandert. De grote vraag is, hoe krijgen we dat voor elkaar? Het probleem is volgens Skinner dat we een verkeerd mensbeeld hanteren. We gaan ervan uit dat menselijk gedrag wordt veroorzaakt door “bedoelingen, doelen en doeleinden”, door “karaktereigenschappen, capaciteiten en bekwaamheden”. We schrijven ons gedrag toe aan iets dat we de “innerlijke mens” noemen, een autonoom wezen, met een vrije wil, die in staat is om ideeën te vormen, zichzelf doelen te stellen en zijn gedrag daar op af te stemmen.

Skinner noemt dit “een persoon die we niet kunnen zien, wiens gedrag we ook niet kunnen verklaren, maar over wie we ons geen vragen stellen.” De functie van de notie “de innerlijke mens”, zo zegt hij, is “om een verklaring te geven die op zijn beurt niet meer hoeft te worden verklaard. De verklaringen stoppen bij hem. Hij is geen agent tussen het verleden en het huidige gedrag, maar een centrum waar het gedrag uit voortkomt. Hij initieert, brengt voort en schept, en in die hoedanigheid blijft hij, zoals hij voor de Grieken was, goddelijk. We zeggen dat hij autonoom is – en, voorzover het de wetenschap van het gedrag betreft, betekent dat, miraculeus.”

Skinner noemt deze zienswijze ‘vóórwetenschappelijk’ (‘prescientific’). Zijn eigen standpunt is uiteraard ‘scientific’. Een bekende truc van pseudo-wetenschappers. Karl Marx was er ook zo één. Merk echter op dat Skinner van meet af aan een karikaturale voorstelling geeft van de ideeën van diegenen die het niet met hem eens zijn. Hij beweert dat degenen die geloven in de ‘vrijheid’ van menselijk gedrag – de ‘defenders of freedom’, zoals hij ze noemt ‑ zich “geen vragen stellen” over wat er zich in het innerlijk van de mens afspeelt en de mens in feite beschouwen als een soort zwart gat waar van alles uitkomt, maar waar je niet in kunt kijken. Als dat waar zou zijn, dan zou dat inderdaad erg onwetenschappelijk zijn.

Maar het is niet waar. Psychologen die ervan uitgaan dat de mens een ‘vrije wil’ heeft ‑ dat wil zeggen, in staat is om zich bewust te worden van wat er in zijn hoofd omgaat en om zelf ideeën te genereren, of zijn ideeën te veranderen, en om aan de hand van zijn ideeën zijn, deels door externe factoren te verklaren gedrag te beïnvloeden ‑ proberen uiteraard wel degelijk te ontdekken en te omschrijven hoe het mogelijk is dat deze unieke capaciteiten van de mens zijn ontstaan, en hoe ze functioneren. Zij proberen wel degelijk de aard van de ‘innerlijke mens’ te verklaren. Ze hebben er alleen een andere verklaring voor.

Zoals de Amerikaanse filosoof Tibor Machan heeft opgemerkt: “…het idee dat vrije wil bestaat is op geen enkele manier in tegenspraak met de wetenschap. Vrije wil kan best een natuurlijk verschijnsel zijn, iets dat in de natuur onstond met het ontstaan van menselijke wezens, die hersenen hebben waarmee ze kunnen nadenken en zich bewust kunnen zijn van hun eigen denkprocessen.” (Tibor R. Machan, Classical Individualism, London/New York, 1998, p. 23)

Skinnner gelooft echter niet in het bestaan van een “autonome mens”, zoals hij het noemt. Wat er zich in iemands hoofd afspeelt is volgens hem geen oorzaak van gedrag, maar een gevolg, of liever gezegd een “neveneffect” (“by-product”). “We kunnen de weg volgen die door de natuurkunde en de biologie zijn genomen,” schrijft Skinner, “door ons rechtstreeks te wenden tot de relatie tussen gedrag en de omgeving en zogenaamde gedragsbeïnvloedende gemoedstoestanden te negeren. De natuurkunde boekte geen vooruitgang door het gejubel van vallende lichamen te bestuderen, en de biologie niet door de aard van levensgeesten te bestuderen, en wij hoeven ons niet af te vragen wat de persoonlijkheid, de gemoedstoestanden, de gevoelens, de karaktereigenschappen, de plannen, doelstellingen, intenties en dergelijke van de autonome mens zijn om het menselijk gedrag wetenschappelijk te kunnen analyseren.”

Aan het woord – ik zeg het nog maar even – is een van de beroemdste psychologen van de 20e eeuw die doodleuk beweert dat persoonlijkheid, gemoedstoestanden, gevoelens, karaktereigenschappen, plannen, doelstellingen en intenties volkomen irrelevant zijn voor de bestudering van de mens! Volgens Skinner verschilt de mens niet wezenlijk van een vallend lichaam of andere natuurlijke objecten. De mens zit hooguit wat ingewikkelder in elkaar dan een steen, maar dat is alles. Psychologen die zich met “gevoelens” en “intenties” van mensen bezighouden verdoen hun tijd. Natuurkundigen gaan toch ook geen enquête houden onder vallende rotsen om erachter te komen hoe de zwaartekracht werkt – dat is wat Skinner zegt.

Hoe wordt gedrag dan wel veroorzaakt? “Gedrag wordt gevormd en in stand gehouden door de gevolgen die het heeft,” schrijft Skinner. Die gevolgen noemt hij ‘reinforcers’, waarvan er ‘positieve’ en ‘negatieve’ zijn (iets daar tussenin ben ik nergens tegengekomen). Wat zijn dat precies? Positieve ‘reinforcers’ (prikkels) zijn “things that feel good”. “Goede dingen zijn positieve prikkels. Eten dat goed smaakt prikkelt ons op een positieve manier. Dingen waarbij we ons goed voelen prikkelen ons op een positieve manier wanneer we ze voelen.” Welke prikkels ons een goed gevoel geven, wordt bepaald door de evolutie.

Skinner: “Dingen zijn vermoedelijk goed (‘positively reinforcing’) of slecht (‘negatively reinforcing’) vanwege hun toevallige rol in de overleving van de soort.” Dit impliceert dat de dingen die we lekker vinden (op zintuiglijk niveau, want gevoelens en gemoedstoestanden doen niet terzake), ook goed voor ons zijn. Hoe zit het dan met iets als heroïne, is een vraag die Skinner zelf ook stelt? Dat is een “anomalie”, een uitzondering, is zijn verbijsterende antwoord. Hoe zit het met de dingen die sommige mensen een goed gevoel geven en anderen niet? Die vraag stelt hij zichzelf niet eens.

Andere vraag. Hoe hebben mensen geleerd om dingen te doen die niet onmiddellijk (op direct zintuiglijk niveau) ‘reinforcing’ zijn? Skinners antwoord op deze vraag zegt eigenlijk alles over zijn denkbeelden. Volgens hem komt dit soort gedrag min of meer toevallig tot stand. “Waarschijnlijk,” schrijft hij, “zaait er niemand in de lente om vervolgens in de herfst te kunnen oogsten … Men zaait in de lente als gevolg van meer nabije omstandigheden, waarvan de meeste worden bepaald door de sociale omgeving.” Volgens Skinner (u weet nog wel, volgens Hans Achterhuis een van de drie belangrijkste psychologen van deze eeuw) is een mens letterlijk niet in staat om een half jaar vooruit te denken! Nu kan hij ook moeilijk iets anders beweren, want dan zou hij moeten erkennen dat mensen in staat zijn om zich een beeld te vormen over de toekomst en daar naar te handelen, en dat zou de doodsteek zijn voor zijn hele theorie.

Laten we Skinners theorie eens toepassen op een eenvoudig voorbeeld van menselijk gedrag: het buitenzetten van de vuilniszak. Waarom zet ik de vuilniszak buiten? Volgens Skinner vanwege het gevolg dat dit heeft: de zak wordt opgehaald. Let wel: niet omdat ik weet dat hij wordt opgehaald. Een idee is immers een neveneffect van gedrag, geen oorzaak.

Hoe kwam ik er dan de eerste keer bij om mijn vuilniszak buiten te zetten, toen ik de gevolgen van dit gedrag nog niet had ervaren? Dat moet ongeveer zo zijn gegaan. Ik merkte op zeker moment dat de zak vol begon te raken. De deksel van de vuilnisbak ging niet meer dicht, het begont te stinken in de keuken, er vielen dingen over de rand, kortom, er waren allerlei ‘negatieve reinforcers’ aan het werk die mij ertoe brachten om handelend op te treden en de zak uit de bak te halen. Ja, en wat doe je met zo’n zak? Het was die eerste keer waarschijnlijk mooi weer (positieve reinforcer), dus ik zet hem buiten op de stoep en kijk wat er gebeurt. Zondag? Niks. Zak staat er nog steeds. Maar ik heb er geen last meer van (geen positieve of negatieve reinforcers). Maandag? Nog steeds niks. Dinsdag? Hee, de zak is weg. Toch wel lekker, dat dat ding nou weg is (positieve reinforcer). Laat ik dat volgende week nog maar eens proberen! Aldus het menselijk gedrag volgens B.F. Skinner.

Als een mens niet meer is dan een fysiek systeem dat op basis van zintuiglijke gewaarwording (“things that feel good”) reageert op prikkels vanuit zijn omgeving, kan hij uiteraard niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn gedrag – niet voor zijn misdaden, maar ook niet voor zijn prestaties. We kunnen volgens Skinner dus geen moreel onderscheid maken tussen een Wiesenthal en een Mengele, een Jezus en een Hitler. Waar we volgens hem voor moeten zorgen is dat de omgeving zo wordt ingericht dat de mensen het gedrag van een Jezus gaan vertonen in plaats van een Hitler.

Wordt door deze theorie een begrip als ‘menselijke waardigheid’ niet ondergraven? Jawel, maar Skinner heeft daar geen moeite mee. Hij vindt het onzin dat iemand waardering zou moeten krijgen voor wat hij heeft bereikt. Tenslotte ‘doet’ niemand iets, niemand neemt zelf het initiatief om iets te doen – we reageren eenvoudigweg op de prikkels die we krijgen. Als we eenmaal zouden begrijpen hoe dit soort reactieprocessen verlopen, dan zou iedereen de ‘prestaties’ van een Einstein of Edison kunnen nadoen.

Een morele notie als ‘waardigheid’, zoals we die nu kennen, zou in Skinners nieuwe wereld eenvoudigweg overbodig zijn. Datzelfde geldt voor het ‘achterhaalde’ begrip vrijheid. Skinner constateert dat het menselijk gedrag in de praktijk vaak een “streven naar vrijheid” laat zien. Hoe verklaart hij dit streven? Waarom zouden mensen vrij willen zijn? Niet omdat ze zich vrij willen voelen – een gevoel is, zoals we weten, slechts een neveneffect van gedrag.

Waarschijnlijk, stelt Skinner, willen mensen vrij zijn omdat de evolutie ervoor heeft gezorgd dat een streven naar vrijheid evolutionaire voordelen biedt: “Het is mogelijk dat de genetische eigenschappen van de mens een dergelijke strijd voor vrijheid ondersteunen: als mensen negatief worden behandeld, hebben ze de neiging om aggressief te reageren en om zich positief geprikkeld te voelen door het zien van schade die ze hebben aangericht. Beide neigingen moeten evolutionaire voordelen hebben gehad.” Verdere details over dit evolutionaire proces krijgen we niet te horen. Het is zo, dus het zal wel een evolutionair voordeel hebben gehad, is de redenatie. Altijd prijs.

Maar is het niet zo dat mensen ook vrij willen zijn omdat ze door vrijheidsidealen (wat Skinner noemt de ‘literature of freedom’) worden aangestoken? Werden de Amerikaanse revolutionairen niet geïnspireerd door John Locke en Thomas Paine? Werden de Bolsjewieken niet geïnspireerd door Marx en Engels? Nee, dat zou onmogelijk zijn in Skinners denkwereld. Het zou betekenen dat iemand er denkbeelden op nahoudt en daar naar handelt. Hoe zit het dan met die ideeën over vrijheid die we vinden in de ‘literature of freedom’ en waar mensen toch zelf vaak van denken dat ze er door worden geïnspireerd? Die hebben volgens Skinner geen “objectieve status”, dus daar ‘kan’ hij niks mee.

Wat wel “objectieve status” heeft is de “literature of freedom” zelf. Daarmee bedoelt hij de “boeken, pamfletten, manifesten, toespraken en andere verbale producten …” Maar deze vrijheidsliteratuur “brengt geen filosofie van de vrijheid over; zij zet mensen aan tot handelen.” Denk hier maar eens over na, ja. Een Maoïst uit de jaren zestig werd volgens Skinner niet geïnspireerd door de ideeën van Mao; nee, het Rode Boekje – het boekje zelf, het ding, het papier, de kaft – ‘zette’ Maoïsten ‘aan tot handelen’.

Het is duidelijk dat Skinner moeite heeft met de verklaring van ideologisch geïnspireerd (idealistisch) gedrag. Zulk gedrag is niet mogelijk volgens zijn theorie. Hij stelt daarom dat mensen misschien denken dat ze worden geïnspireerd door de idealen van, laten we zeggen, Karl Marx of Ayn Rand, maar dat het in werkelijkheid de boeken van Karl Marx en Ayn Rand zijn die deze mensen tot handelen bewegen. Hoe kunnen stapeltjes gelijmd papier mensen ertoe brengen om een regering omver te werpen? Is dat niet een beetje een magische, vóórwetenschappelijke gedachte? Op dit punt aangekomen voelt Skinner zelf blijkbaar ook nattigheid, want hij verklaart de werking van de literature of freedom vervolgens als volgt:

“De literatuur benadrukt vaak de negatieve omstandigheden waaronder mensen leven, wellicht door ze te vergelijken met omstandigheden in een vrijere wereld. Het gevolg is dat de omstandigheden negatiever worden; de literatuur ‘vergroot de ellende’ van degenen die zij probeert te redden. Zij identificeert ook degenen aan wie moet worden ontsnapt of wiens macht moet worden verzwakt door aan te vallen.

Typische slechteriken in deze literatuur zijn dictators, priesters, generaals, kapitalisten, strenge leraren en dominante ouders.” Vreemd. Gevoelens waren eerder slechts neveneffecten van handelingen, nu kunnen mensen zich rotter voelen, niet als gevolg van een bepaalde handeling, maar als gevolg van een gedachte, een idee, namelijk het idee dat er een beter leven mogelijk is. Maar als het mogelijk is voor een mens om zich een idee te vormen over hoe de wereld eruit zou kunnen zien, en daar vervolgens naar te handelen, dan is het ook mogelijk, lijkt mij, om er een ideeëngoed op na te houden, een vrijheidsideaal dus. Skinner komt er niet uit.

Nu is het uiteindelijk helemaal niet zo belangrijk hoe mensen bij hun vrijheidsidealen komen, want vrijheid is sowieso een illusie volgens Skinner. De vraag is volgens hem niet of gedrag wordt gestuurd, dat is onvermijdelijk, de vraag is hoe dat gebeurt. Vroeger was er slavernij, maar in onze zogenaamde ‘vrije maatschappij’ worden de arbeiders gestuurd door lonen en salarissen. Voor Skinner is er geen wezenlijk verschil tussen loonarbeid en slavernij; het eerste is te prefereren boven het laatste omdat het beter werkt, omdat het minder weerstand oproept bij degene die de arbeid verricht, maar beide zijn vormen van overheersing.

De verdedigers van de vrijheid zijn echter zo naïef om niet in te willen zien dat sturing (‘control’) van gedrag onvermijdelijk is. Doordat zij pleiten voor vrijheid, ondermijnen zij een efficiënte inrichting van de maatschappij. Neem als voorbeeld gedrag dat pas op de lange termijn ongewenste gevolgen heeft, zoals roken, drinken, gokken of teveel eten. Degenen die in vrijheid geloven kunnen dit soort gedrag alleen beïnvloeden door overreding of intensieve begeleiding. Dit zijn volgens Skinner hopeloos inefficiënte methoden om gedrag te veranderen. Bovendien, zo zegt hij, is overreding ook een vorm van manipulatie en dus net zo goed anti-vrijheid als iedere andere vorm van sturing. Net zoals hij geen verschil ziet tussen slavernij en werken voor Randstad, zo ziet hij geen verschil tussen dictatuur en discussie.

Hoe denkt Skinner er voor te kunnen zorgen dat mensen geen ongewenst gedrag vertonen? (We gaan er maar even vanuit dat roken, drinken en gokken ongewenste gedragingen zijn.) Wat is zijn manier van sturing, zijn manier om de maatschappij in te richten? Vreemd genoeg ‑ want om deze kwestie draait in feite het hele boek ‑ blijft de inhoud van Skinners “wetenschappelijke” methode om het menselijk gedrag te beheersen, in nevelen gehuld. Volgens hem moet de omgeving worden veranderd om de mens te veranderen, en onder omgeving verstaat hij in dit geval ook de genetische aanleg van mensen: “Wat moet worden veranderd is niet de verantwoordelijkheid van de autonome mens, maar de omstandigheden, genetisch of voortkomend uit de omgeving, waarvan zijn gedrag een functie is.”

Dit moet gebeuren volgens wat hij noemt een “technology of behaviour”, een gedragstechnologie, die echter nergens in het boek wordt uitgelegd of nader verklaard. “De methoden die we gebruiken zijn die van de fysische en biologische technologie, maar we gebruiken ze op speciale manieren om het gedrag te beïnvloeden,” schrijft Skinner, maar hij vindt het blijkbaar niet nodig om aan de leken die zijn boek lezen uit te leggen om wat voor ‘methoden’ en ‘speciale manieren’ het gaat. En inderdaad, zo zou je je kunnen afvragen, waarom zou hij ook? Het is een raadsel waarom hij het überhaupt nodig heeft gevonden om zijn boek te schrijven! Waarom complexe ideeën proberen uit te leggen aan mensen die niet eens de functie van een zaadje kunnen doorgronden?

Maar niet alleen legt Skinner nergens uit hoe de maatschappij zal moeten worden veranderd, ook wie dat zal moeten gaan doen ‑ wie mag bepalen wat gewenst en ongewenst gedrag is en of er gerookt en gezopen en gegokt mag worden ‑ blijft vaag. In ieder geval komt de democratie er niet aan te pas, dat is duidelijk! Hij heeft het steeds over “wij” als hij spreekt over de mensen die in zijn wereld aan de knoppen zitten, maar wie die “wij” zijn, daar komen we niet achter. Als we meer dan driekwart van het boek hebben gehad, komt hij ineens op de proppen met “cultural designers” – cultuurontwerpers ‑ wier taak het is “de ontwikkeling van praktijken te versnellen die de lange-termijngevolgen van gedrag in het spel brengen.”

Ook dan blijft het echter een mysterie wie die cultuurontwerpers zijn (behalve dan dat Skinner er zelf uiteraard één van is), hoe deze selecte groep tot stand komt, en hoe dit uitverkoren genootschap in staat is om, anders dan de rest van de mensheid, wèl zes maanden vooruit te denken en te weten wat goed en slecht is voor de mensheid.

Wat zijn de criteria op basis waarvan de cultuurontwerpers de maatschappij gezond moeten gaan maken? Daar gaat Skinner wel uitgebreid op in. Zijn ideaal is “een optimale toestand van evenwicht waarin iedereen maximaal [positief] geprikkeld wordt”. Een dergelijk “redelijk evenwicht” kan echter niet tot stand komen zolang “positieve lange-termijn-effecten worden genegeerd door een radicaal individualisme of libertarisme of zolang het evenwicht even radicaal de andere richting uitgaat door een uitbuitend systeem.” Skinner bepleit dus een soort gulden middenweg tussen individualisme en dictatuur, een maatschappij waarin “datgene wat in het belang is van anderen tevens in het belang [is] van het individu.”

Maar hoe krijg je mensen zover dat ze hun belangen, wanneer dat nodig is, ondergeschikt maken aan die van de maatschappij? Waarom zouden ze zich druk maken om een ‘optimale toestand van evenwicht’ te bereiken? Dat doen ze alleen, zegt Skinner, indien hun eigen belangen ondergeschikt zijn aan “een andere waarde die bijdraagt aan de menselijke vooruitgang”, en die waarde – die door hem op dramatische wijze wordt geïntroduceerd ‑ is niet meer of niet minder dan: het voortbestaan van een cultuur. Voor Skinner is dit uiteindelijk het belangrijkste criterium dat dient te worden gehanteerd bij de inrichting van de maatschappij: het hoogste doel is uiteindelijk de instandhouding en bevordering van de cultuur. Waarom zou het goed zijn dat een bepaalde cultuur zichzelf in stand houdt?

Skinner heeft daar geen antwoord op. “Voorzover de omstandigheden binnen een cultuur individuen ertoe zetten om hun beschaving in stand te houden, houdt de cultuur zich in stand,” stelt hij vast. Dit is, zoals hij zelf expliciet toegeeft, puur cultureel relativisme. “Iedere cultuur heeft zijn eigen verzameling van waarden, en wat goed is in de ene cultuur hoeft niet goed te zijn in een andere cultuur.” Dat het voortbestaan van een “cultuur” (een groep, een natie, een beschaving) een “waarde” zou vertegenwoordigen, is een stelling waarvoor Skinner geen argumenten aanvoert, maar die hij simpelweg vaststelt: “… de cultuur kan sterker of zwakker worden, en wij kunnen wellicht voorzien of hij zal overleven of verdwijnen. Het voortbestaan van een cultuur verschijnt dus als een nieuwe waarde in aanvulling op persoonlijke en sociale waarden.” Dit alles in het post-Hitler tijdperk.

Waarom bepaalde culturen in stand zijn gebleven en andere niet, is volgens Skinner toeval. Door toevallige ‘mutaties’ ontstaan praktijken die bevorderlijk zijn voor de instandhouding van de cultuur: “De voedselallergie van een sterke leider kan leiden tot een dieetregel, een bijzondere seksuele gewoonte tot een huwelijkspraktijk.” Een ander voorbeeld: “Het oude Rome, gelegen in een vruchtbare vlakte en geplunderd door stammen vanuit de omliggende heuvels die als natuurlijke forten fungeerden, ontwikkelde eigendomswetten die dit oorspronkelijke probleem overleefden.”

Met andere woorden, het Romeinse Recht had niets te maken met een bepaalde intellectuele ontwikkeling, het ontstond niet uit de ideeën van Plato, Aristoteles, de Stoïcijnen en andere klassieke denkers, maar uit ‘plunderingen door stammen’. Waarom ontstond een soortgelijk recht dan niet in Mongolië of Polynesië, kun je je afvragen, waar “plunderingen door stammen” toch ook schering en inslag waren, maar met dit soort simpele vragen hoef je bij zo’n belangrijke psycholoog natuurlijk niet aan te komen.

Kortom, Skinners antwoord op de problemen van de wereld luidt als volgt. De democratie dient te worden afgeschaft. De macht moet in handen worden gegeven van B.F. Skinner, die met een groepje door hem uit te kiezen ‘cultuurontwerpers’ de maatschappij zo zal inrichten dat mensen geen ongewenst (‘asociaal’) gedrag meer zullen vertonen, maar zich enthousiast zullen gaan inzetten voor het in stand houden van hun cultuur. Over hoe Herr Skinner de maatschappij precies zal gaan inrichten, en hoe hij ons gedrag zal gaan sturen, wil hij uiteraard niet teveel zeggen. Daar hebben wij in feite ook niks mee te maken: we merken het wel als het zover is!

Niettemin, wat dit laatste betreft, licht hij aan het eind van zijn boek toch een tipje van de sluier op. Wie denkt dat Skinners Brave New World een soort Luilekkerland wordt, waarin we allemaal fijn mogen reageren op positieve prikkels, komt bedrogen uit. Skinner hangt de oude wijsheid aan dat luiheid des duivels oorkussen is. “Mensen die niks doen worden toeschouwers, die het serieuze gedrag van anderen bekijken, zoals in een Romeins circus of bij een voetbalwedstrijd of in het theater of de bioscoop, of ze luisteren naar ‑ of lezen over ‑ het serieuze gedrag van anderen, zoals in roddelverhalen of literatuur. Dit soort gedrag draagt nauwelijks bij aan persoonlijke overleving of de overleving van een cultuur.” Mag een individu in Skinners wereld dan niet zelf bepalen of hij zich bezighoudt met ‘nutteloze’ zaken als literatuur of het kijken naar sport? Dit is een vraag die alleen bij een ouderwetse ‘defender of freedom’ op kan komen.

“Leven, vrijheid en het streven naar geluk zijn basisrechten,” schrijft Skinner. “Maar het zijn de rechten van het individu en ze werden opgesteld in een tijd toen de literatuur van de vrijheid en waardigheid zich bezighield met de verheffing van het individu. Ze hebben slechts een beperkte relevantie voor het voorbestaan van een cultuur.” Het is maar dat u het weet. “Onze cultuur heeft de wetenschap en technologie geproduceerd die zij nodig heeft om zichzelf te redden. Maar als zij vrijheid en waardigheid als haar belangrijkste waarden blijft beschouwen, in plaats van haar eigen voortbestaan, dan is het mogelijk dat een andere cultuur [uiteindelijk] een grotere bijdrage aan de toekomst zal leveren.”

Is het niet een beetje oneerlijk dat sommige mensen fijn de maatschappij mogen inrichten, terwijl de anderen zich die inrichting moeten laten welgevallen? In vroegere, voor-wetenschappelijke tijden (toen de literatuur van de vrijheid en waardigheid zich nog bezighield met de verheffing van het individu) noemde men zoiets een dictatuur, maar volgens Skinner is dat een volledig achterhaalde benadering. “Wie zal er sturen? (Who is to control?),” vraagt Skinner. “… De vraag wordt meestal gesteld alsof het antwoord altijd bedreigend zou moeten zijn.”

Maar dat is niet zo, want: “De relatie tussen de controleur en de gecontroleerde is wederkerig. De wetenschapper in het laboratorium die het gedrag van een duif bestudeert, ontwerpt condities en observeert de effecten. Met zijn instrumentarium controleert hij de duif, maar we moeten ook de controle die de duif heeft over de wetenschapper niet vergeten.” Echt niet? Waaruit bestaat de controle van de gevangene over de gevangenbewaarder, van de slaaf over de meester, van het concentratiekampslachtoffer over de concentratiekampbewaker? Geen antwoord. Uit de stelling dat het proefdier net zoveel macht uitoefent over de wetenschapper als andersom, volgt uiteraard dat verzet tegen dwang in feite een vorm is van dwang. “Het aanvallen van sturingspraktijken (controlling practices) is, uiteraard, een vorm van tegensturing (countercontrol).” Uiteraard! Vrijheid is dwang, dwang is vrijheid – dat we daar zelf niet nog opgekomen waren. Maar ja, Skinner is niet voor niets een van de grootste psychologen van de 20e eeuw.

U heeft er geen behoefte aan, zegt u, om in Skinners wereld te leven en nooit meer naar het voetballen te mogen kijken? U heeft er nog steeds niets van begrepen! Ik zal het Skinner nog één keer laten uitleggen.

“Een ander soort oppositie tegen een nieuwe culturele inrichting kan als volgt worden verwoord: ‘Ik zou het niet leuk vinden’ … Het ontwerp van een nieuwe cultuur is onvermijdelijk een soort her-vorming, die vrijwel onvermijdelijk leidt tot een verandering in prikkels … Niet alleen zullen we geen reden meer hebben om mensen te bewonderen die lijden, gevaar trotseren of proberen om goed te zijn, het is mogelijk dat we ook weinig interesse meer zullen hebben in films of boeken over dit soort mensen. De kunst en literatuur van een nieuwe cultuur zullen over andere dingen gaan. Dit zijn enorme veranderingen en wij [!] besteden hier uiteraard veel aandacht aan. Het probleem is om een wereld te ontwerpen niet voor mensen zoals ze nu zijn maar die fijn zal worden gevonden door de mensen die in die cultuur zullen leven. ‘Ik zou het niet leuk vinden’ is de klacht van een individualist die zijn eigen gevoeligheid voor sturing aanvoert als een gevestigde waarde. Een wereld die zal worden gewaardeerd door de huidige bevolking zou alleen maar de status quo bevestigen. Zo’n wereld zou worden gewaardeerd omdat mensen dat geleerd zouden hebben, en om redenen die de toets der kritiek niet altijd kunnen doorstaan. Een betere wereld zal fijn worden gevonden door degenen die in die wereld leven omdat hij ontworpen zal zijn op een manier die het meest stimulerend is.”

En wat die paar koppige individualisten betreft die ondanks alles niet willen doen wat goed voor hen is, die zijn niet goed wijs, dus die gaan de psychiatrische inrichting in: “Het is mogelijk dat een vrijheidsliteratuur inspiratie zou kunnen vormen [nu kan het ineens wel!] voor een dusdanig fanatieke weerstand tegen sturingspraktijken dat er een neurotische of zelfs psychotische reactie zou kunnen optreden. Er zijn tekenen van emotionele instabiliteit waarneembaar bij degenen die diepgaand beïnvloed zijn door deze literatuur.” Klinkt dat eng? Ik hoop het wel. Hoe is het mogelijk dat iemand als Hans Achterhuis, die een dikke pil schrijft over het gevaar van utopische ideeën, deze lariekoek wèl pruimt? Ik heb geen idee.

Uiteindelijk is er op Skinners openlijke pleidooi voor “de afschaffing van de autonome mens,” waar deze grote psycholoog letterlijk voor pleit, maar één goed verweer: de mens is geen vallende steen, geen biljartbal die alleen maar reageert op ‘prikkels’ vanuit zijn omgeving. Hij heeft een eigenschap die hem bijzonder maakt, en dat is zijn vorm van bewustzijn ‑ zijn emotionele belevingswereld en vooral zijn vermogen om na te denken. En dit vermogen is, anders dan Skinner ons wil doen geloven, vrijwillig en individueel van aard. Het is een attribuut van het individu, dat op basis van eigen inspanningen in werking moet worden gesteld en moet worden onderhouden.

Het beste bewijs hiervoor is dat de wereld zoals we die vandaag de dag kennen, in al zijn complexiteit, nooit had kunnen worden geschapen door lieden die in de lente wat zaadjes in het rond strooien zonder dat ze weten dat daar in de herfst planten uit voort zullen komen. Skinner weet dat. Hij ontkent niet voor niets dat het menselijk bewustzijn een “geestesvermogen” is; hij beweert niet voor niets dat bewustzijn een “sociaal product” is. “Het laatste bolwerk van de autonome mens,” zo schrijft de op twee na grootste psycholoog van de 20e eeuw, “is waarschijnlijk dat complexe ‘verstandelijke’ vermogen dat denken wordt genoemd.” En zo is het precies.

(N.B. Alle citaten zijn door mij uit het Engels in het Nederlands vertaald. KB)

0 Reacties

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*